Chat with us, powered by LiveChat

Verkiezingsprogramma 2019-2024

Vooraf

Open Vld is dé partij voor iedereen die werkt of gewerkt heeft om ons land beter te maken. Op uw job, in een jeugdbeweging, als leerkracht, verpleger, ondernemer, vrijwilliger, mantelzorger… Het zijn allemaal mensen die ervoor zorgen dat het in ons land goed leven is. Wij willen al die doeners een duw in de rug geven, hun leven ge- makkelijker maken.

We doen dat op twee manieren:

  • Door hen netto meer te laten We betalen in dit land nog altijd te veel belastingen. Wie werkt en gewerkt heeft moet daar nog meer voor beloond worden. We zorgen voor een deftig pensioen en de beste gezondheidszorg voor iedereen.
  • Door zo weinig mogelijk regeltjes op te Mensen moeten meer vrijheid krijgen om hun eigen keuzes te maken, initiatief te nemen. Wat minder moeten en wat meer mogen dus.

De manier waarop wij aan politiek doen, is ook anders dan de andere partijen:

  • Wij zijn We geloven echt dat het nog beter kan
  • Wij willen niet alleen praten, maar ook De problemen oplossen.
  • We durven ambitieus zijn, de lat hoger leggen: ons land hoort niet thuis in het peloton, we moeten durven voorop

We werken graag samen en laten niemand achter. Vooruit met ons land!

Over onze principes en programma

In een verkiezingsprogramma lees je praktische voorstellen en oplossingen voor problemen. Maar de realiteit van het besturen van een land is complexer en meer gevarieerd dan wij in een programma kunnen voorzien. Bovendien is een programma het beeld dat een partij nastreeft als ze geen enkel compromis of coalitie zou moeten maken. In de realiteit betekent regeren echter overeenkomsten zoeken met partners. En afspraken maken over hetgeen waarmee men alleen staat.

Er zijn vast en zeker vraagstukken die niet aan bod komen in deze tekst. Dat wil niet zeggen dat ze niet belangrijk zijn, integendeel. Maar Open Vld wil vanuit een heldere en duidelijke visie vertrekken en niet met een onoverzich- telijke catalogus met duizend-en-één voorstelletjes komen. Ons kompas bij onderhandelingen en beslissingen zijn vijf duidelijke principes waaraan beslissingen en standpunten van Open Vld moeten voldoen.

Vrijheid is onze basiswaarde

Het is een recht en een opdracht voor elk individu die iets van het leven wil maken. Vrije mensen bouwen samen aan een betere toekomst. In deze nieuwe tijd gaan wij op zoek naar nieuwe vrijheid.

Vooruitgang is ons doel

Wij leggen ons niet neer bij het status-quo. Wij denken na over wat kan zijn. Over kansen en mogelijkheden. Over welke samenleving we willen. Over hoe we van verandering verbetering kunnen maken en wat we kunnen doen om dat voor iederéén mogelijk te maken.

Verantwoordelijkheid is onze opdracht

Wij willen vrij zijn en vooruitgaan, zonder een ander te schaden. Dat is de basis van onze verantwoordelijkheid tegenover elkaar, tegenover mensen elders ter wereld en tegenover de planeet, vandaag en in de toekomst. Wij kiezen voor verantwoordelijkheid in plaats van betutteling. Voor principes in plaats van regeldrift. Voor geënga- geerde burgers. We laten niemand achter.

Optimisme is onze ingesteldheid

Precies omdat we vertrouwen in vrije mensen, zijn we vooruitgangsoptimisten. Vrije burgers kunnen de grootste uitdaging aan. Mensen wereldwijd willen doorgaans hetzelfde: hun eigen leven leiden en hun eigen bestaan en dat van hun geliefden zo goed mogelijk maken. Als je mensen ruimte geeft, zullen ze daar hard aan werken. Zo dragen ze stukje bij beetje ook bij aan de steeds grotere kennis en welstand die we als mensheid ter beschikking hebben. Het verhaal van de vrijheid is een optimistisch verhaal. Als mensen de vrijheid krijgen om hun eigen om- standigheden te verbeteren, helpen ze ook de wereld beter maken.

Open is onze blik op onszelf en de wereld

In onzekere tijden dreigt het gevaar van geslotenheid en protectionisme. Van uitsluiten en terugplooien op onszelf. Wij kiezen meer dan ooit voor de open samenleving, economisch en maatschappelijk. We koesteren onze buurt, onze stad of regio maar begrijpen dat we de problemen vandaag nooit alleen oplossen. Samenwerken is de op- dracht. Met elkaar. In Europa. En zelfs wereldwijd.

Een land dat werkt.

Stilstaan is achteruit gaan. Dat kunnen we ons simpelweg niet permitteren. Daarom hebben we de voorbije jaren werk gemaakt van een hele reeks stevige hervormingen. Na een aantal financieel-economische crisisjaren, was het tijd om fors in te zetten op groei.

Dankzij de hervormingen en maatregelen van de regering Michel hebben ondernemingen de voorbije jaren meer dan 250.000 jobs gecreëerd. We hervormden de arbeidsmarkt, de gezondheidszorg en de pensioenen en konden de tanker op die manier keren.

Maar het werk is nog niet af. We moeten verder doen. Middelmaat is geen optie. We willen ons land structureel op orde zetten. We passen voor partijen die het werk van de voorbije jaren willen terugdraaien. We kijken vooruit en hebben daarbij duidelijke doelen voor ogen. We bouwen aan een gezonde economie. Een economie die er is voor mensen. Internationaal en dichtbij. Eerlijk en met een gelijk speelveld voor iedereen.

Met dit blauw groeiplan gaan we als land voor goud. Jij doet toch ook mee?

Extra netto voor wie werkt

Vrijheid betekent voor ons dat inkomsten eerst voor jezelf zijn en pas daarna een deel voor de staat. We hebben de voorbije legislatuur al flink wat belastingen verlaagd. De koopkracht van wie werkt is fors gestegen dankzij de taks-shift. We hebben de 30%-schijf in de personenbelasting geschrapt, het grensbedrag voor de 45%-schijf op- getrokken, de forfaitaire beroepskosten verhoogd en de belastingvrije som verhoogd. De belastingdruk daalde en de koopkracht steeg met 6 %. Wie een brutoloon heeft van 2.500 euro, ontvangt ten opzichte van 2014 per maand 122 euro extra netto. Maar we moeten verder gaan.

We willen de belastingen voor wie werkt en voor wie gewerkt heeft opnieuw verlagen met vijf miljard euro. We doen dat samen met de regio’s. Federaal schrappen we de 40%-schijf en trekken we de 25%-schijf langer door. Daarvoor voorzien we een budget van vier miljard euro. Vlaanderen doet daar een inspanning van 640 miljoen euro bovenop. We focussen in Vlaanderen op de lagere inkomens, die minder profiteren van de federale inspan- ning omdat ze minder belastingen betalen. Door aan die groep een gerichte jobstimulans toe te kennen kunnen we iedereen die werkt gemiddeld 1000 euro extra per jaar geven.

Zo maken we het financiële verschil tussen werken en niet werken opnieuw een stuk groter, wat een positief effect heeft op de werkgelegenheid. We zorgen er ook voor dat je netto meer overhoudt van een loonsverhoging. Wer- kende mensen zijn de motor van welvaart. Hoe meer mensen werken, hoe meer we solidair kunnen zijn met wie het écht nodig heeft.

We zorgen voor een fatsoenlijk pensioen

Een sterk pensioen rust op vier pijlers. De eerste pijler is het wettelijk pensioen. We willen dit versterken door mensen langer aan de slag te houden en de link tussen gewerkte jaren en het pensioenbedrag te versterken. De tweede pijler bestaat uit het aanvullend pensioen, gestort door de werkgever. We willen dat elke werknemer tegen 2025 een aanvullend pensioen opbouwt op basis van een bijdrage van minstens 3% van het loon. De combinatie van beide moet een minimum pensioen van 1500 euro garanderen voor wie lang genoeg gewerkt heeft.

In de tweede en de derde pensioenpijler (het pensioensparen) staat de lange termijn centraal. Een stabiel wettelijk kader is dan ook essentieel, zowel voor de spaarders als voor de werkgevers en de aanbieders van aanvullende pensioenplannen en pensioenspaarproducten. Dat geldt ook voor de vierde pijler, een eigen woning.

Voor zelfstandigen berekenen we de pensioenen voortaan op dezelfde manier als die van de werknemers, voor alle loopbaanjaren vanaf 2020. Zo verhogen we de pensioenen van de zelfstandigen.

Hoe lang je werkt bepaalt je pensioen, niet het statuut waarin je werkt

Er bestaan nog steeds grote verschillen tussen de pensioenstelsels van zelfstandigen, werknemers en ambtenaren. Die verschillen zijn niet meer te verantwoorden. Voor al die mensen met een gemengde loopbaan, die een pensi- oen opbouwen in verschillende stelsels, is de transparantie en de rechtvaardigheid volledig zoek. Vandaag heb- ben een aantal mensen bijvoorbeeld geen recht op een minimumpensioen omdat ze een gemengde loopbaan hebben, ook al voldoen ze aan de voorwaarde inzake een minimale loopbaan van 30 jaar. Dit kan niet. Daarom voeren we een geharmoniseerd pensioensysteem in dat gelijk is voor werknemers, zelfstandigen en ambtenaren. We werken ook het onderscheid tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden in de pensioenwetgeving weg. Wanneer wettelijk samenwonende of gehuwde partners uit elkaar gaan, zal het pensioen dat zij gezamenlijk heb- ben opgebouwd onder beide partners verdeeld worden.

We respecteren daarbij de rechten die zijn opgebouwd in het huidige systeem. Transparantie en zekerheid staan centraal. De pensioenbedragen worden niet naar beneden bijgesteld wanneer het economisch minder goed gaat.

We versterken de band tussen het aantal gewerkte jaren en de hoogte van het pensioen. Wie ziek is, mantel- zorg verleent, zwangerschaps- of ouderschapsverlof opneemt of een relevante opleiding volgt, zal uiteraard nog steeds volledige pensioenrechten opbouwen.

We zorgen er ook voor dat het voor mensen mogelijk is om langer te werken. We bieden ondersteuning aan die- genen die hun arbeidsritme willen aanpassen. We voeren een recht op levenslang leren in, waarbij iedereen zich gedurende twee jaar doorheen de loopbaan kan bij- of omscholen. We houden rekening met jaren van zware arbeid bij de pensioenberekening. We willen tegelijk een carrièreswitch mogelijk maken op de leeftijd van 40 of 50 jaar, zodat mensen niet levenslang een zwaar beroep moeten uitoefenen.

Een fiscaliteit die niet discrimineert

De fiscaliteit organiseren we zoveel mogelijk op basis van het individu. Mensen zijn vrij om te kiezen of ze huwen, wettelijk samenwonen, feitelijk samenwonen of alleen wonen. Die keuze mag niet fiscaal worden bestraft. Discri- minatie tussen singles en wettelijk samenwonenden of gehuwden kan niet. Vandaag wordt de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid nog berekend op het gezinsinkomen. Daardoor betalen singles en feitelijk samenwonen- den tot twee keer zoveel als gehuwden en wettelijk samenwonenden. We werken deze onrechtvaardigheid weg door deze bijdrage voortaan op individuele basis te berekenen en de tarieven te halveren. Het resultaat is een bonus voor alleenstaanden van maximaal 365,64 euro op jaarbasis.

Een vrij erfrecht

We pleiten voor lage en eenvoudige belastingen. Een vrij erfrecht, betekent dat de fiscus je keuze niet kan afstraf- fen door onredelijke tarieven. De afgelopen jaren werd de erfbelasting onder een liberale minister van Financiën hervormd en verlaagd. We trekken deze lijn door.

De vrijstelling voor de langstlevende partner op roerende goederen verhogen we van 50.000 tot 250.000 euro. Naast de gezinswoning, wordt zo ook een belangrijk deel van de roerende goederen vrijgesteld. Partners die nog voor een gezinswoning spaarden of die net hun gezinswoning verkocht hadden krijgen zo een evenwaardig voordeel.

De vrijstelling op de gezinswoning breiden we uit naar alle overdrachten in rechte lijn. Zo hoeven ook de kinderen geen erfbelasting meer te betalen wanneer ze de woning van hun ouders erven.

Het hoogste tarief van 55 % moet minstens tot onder de 50 % zakken. En bij erfenissen aan verre of niet-verwante personen zorgen we ervoor dat de tarieven voortaan worden toegepast op de afzonderlijke erfdelen, zoals bij de erfenissen in rechte lijn, tussen partners en tussen broers en zussen.

Kinderloze alleenstaanden moeten ook het recht hebben om iemand van hun keuze als ‘sociaal familielid’ aan te duiden. Deze persoon kan aanspraak maken op zorgverlof en wordt voor de erfbelasting als een verkrijger (erfge- naam) in de rechte lijn beschouwd.

Een eigen woning geeft vrijheid en zekerheid

Een eigen woning betekent vrijheid en zekerheid. Wie een eigen woning verwerft creëert voor zichzelf een vierde pensioenpijler. We willen het verwerven van een eigen woning daarom blijven aanmoedigen. In de vorige legisla- tuur hervormden we de woonbonus en de registratierechten. Het algemene tarief van de registratierechten daal- de van 10% naar 7%. Voor woningen tot 200.000 euro is er een vrijstelling op de eerste schijf van 80.000 euro, wat een extra korting van 5.600 euro betekent. Wanneer je ingrijpende energetische renovaties doet aan je nieuwe woning, daalt het algemeen tarief van 7% tot 6%. Op deze manier stimuleren we mensen om duurzame keuzes te maken.

Dankzij Open Vld werd in 2015 het verdeelrecht, de zogenaamde miserietaks, voor verdelingen en afstanden van onroerende goederen tussen ex-echtgenoten en ex-wettelijk samenwonenden teruggebracht van 2,5% naar 1%. De volgende stap is het algemene tarief op 0% zetten en zo het verdeelrecht afschaffen.

Het bedrag van het hypotheekrecht (het Vlaamse registratierecht van 1% geheven op het bedrag waarvoor de hypothecaire inschrijving wordt genomen) wordt bij energie-geïnspireerde leningen volledig kwijtgescholden.

Van één naar twee gouden werknemers

De voorbije jaren werd ook sterk ingezet op lastenverlagingen specifiek voor startende ondernemingen. Wie in de periode 2016-2020 een eerste werknemer aanwerft, is volledig vrijgesteld van RSZ-werkgeversbijdragen voor die werknemer en dat gedurende de volledige periode van tewerkstelling. We behouden deze maatregel ook na 1 ja- nuari 2020 en breiden ze uit naar tweede aanwervingen. Voortaan moeten er dus geen RSZ-werkgeversbijdragen meer worden betaald op de eerste twee aanwervingen.

We breiden de flexi-job uit

Flexi-jobs zijn een succes! Het is een goed voorbeeld van een win-win maatregel: goed voor werkgevers én voor mensen die iets willen bij verdienen. Momenteel zijn die beperkt tot een specifiek aantal sectoren (horeca, han- del,…). De vraag naar uitbreiding is groot. We stellen voor om de flexijobs naar de hele private sector uit te breiden voor wie gepensioneerd is of minstens 4/5de werkt. Hierdoor kunnen werknemers en gepensioneerden onbelast bijverdienen en kunnen werkgevers voor piekmomenten beroep doen op mensen die een paar uur willen bijver- dienen.

We creëren ook extra flexibiliteit in de land- en tuinbouwsector. In die sector bestaat er een stelsel van gelegen- heidsarbeid om op een flexibele wijze arbeidskrachten in te kunnen zetten. Het aantal dagen verschilt echter naar gelang het gaat om landbouw, tuinbouw, witloofteelt of champignonteelt. We vereenvoudigen dit systeem en gaan naar 100 dagen per jaar per werknemer, tegenover 30, 65 of 100 dagen vandaag, afhankelijk van de subsector.

In de horeca hebben de flexi-jobs, de soepele en betaalbare overuren en andere maatregelen al tot extra omzet en tewerkstelling geleid. De RSZ-korting voor maximaal 5 vaste werknemers wordt echter nog te weinig gebruikt. We schrappen daarom de verplichte aanwezigheidsregistratie van het personeel, verdubbelen de korting en brei- den ze uit naar maximaal 10 vaste werknemers.

Een lage en eenvoudige vennootschapsbelasting

Ook de belastingen voor bedrijven werden in de vorige legislatuur verlaagd. We verlaagden het basistarief in de vennootschapsbelasting van 33,99% naar 29,58%, met een voordelig tarief voor kmo’s van 20% op de eerste schijf van 100.000 euro winst. In 2020 verlagen we het tarief van 29,58% verder naar 25%. De komende jaren ijveren we ook binnen de EU voor een vennootschapsbelasting die geïnd wordt op dezelfde basis, binnen een vork van ta- rieven. Zo maken we komaf met deloyale concurrentie tussen lidstaten én verhinderen we dat multinationals door de fiscale mazen van het net kruipen. De huidige tijdelijke vrijstelling van onroerende voorheffing op materieel en outillage voor nieuwe investeringen loopt af eind 2019. We verlengen deze tijdelijke vrijstelling verder zodat het belastbaar kadastraal inkomen op materieel en outillage verder uitdooft. Op die manier dalen de lasten op be- drijven verder en worden investeringen in nieuwe meer energiezuinige installaties gestimuleerd.

Een gelijk speelveld voor wie onderneemt

België is een land van kmo’s. In België zijn er ongeveer 1,14 miljoen kmo’s actief, die instaan voor 69,3% van de tewerkstelling en 62,4% van de toegevoegde waarde. Deze kmo’s zorgen voor welvaart en groei in ons land. We moeten ze als samenleving koesteren én ondersteunen. Daarom hebben we het kmo-tarief in de vennootschaps- belasting ingevoerd, het tarief van de sociale bijdragen voor zelfstandigen verlaagd van 22 % naar 20,5 %, de flexi-jobs ingevoerd en tal van andere maatregelen genomen. Er werd ook gesnoeid in onnodige drempels, zoals de vereisten rond beroepsbekwaamheid voor 27 gereglementeerde ‘ambachtelijke beroepen’. De vereiste van een attest van basiskennis van bedrijfsbeheer als voorwaarde om een zelfstandige activiteit te kunnen starten, werd afgeschaft.

We willen ondernemers verder aanmoedigen en maken het administratief eenvoudiger om te ondernemen. Het internet en nieuwe digitale en technologische oplossingen maken het mogelijk om de overheid te verkleinen en toch een betere dienstverlening te leveren. We gaan daarom onder andere resoluut voor één digitaal onderne- mersloket. Via één unieke identificatie kan de ondernemer voortaan terecht bij alle overheidsdiensten – ongeacht het bestuursniveau – voor het beheer en de opvolging van alle fiscale dossiers, vergunningsaanvragen, subsidie- dossiers en andere vragen. Om dit te concreet te maken hebben we een ‘Kafka-plan’ opgesteld met daarin 40 concrete maatregelen om de overheid te digitaliseren en eenvoudiger te maken. Je kan dit plan hier terug vinden op onze website.

Vandaag gaan subsidies aan ondernemingen vooral naar de grote ondernemingen omdat zij over meer middelen beschikken om de administratieve rompslomp te doorlopen. Bedrijfssubsidies zijn nuttig als ze de drempel voor bedrijfsinvesteringen verlagen, maar niet alle subsidies bereiken het beoogde effect. De vennootschapsbelasting werd in de afgelopen legislatuur reeds verlaagd, in 2020 volgt de laatste fase. Door een laag algemeen tarief, daalt de noodzaak van compenserende subsidies. Daarom laten we bedrijfssubsidies voortaan door onafhan- kelijke partijen evalueren. Instrumenten die geen verschil maken of onvoldoende impact hebben, heffen we op.

We brengen de ecologische impact van alle leveringen en (gratis) retourzendingen van pakjes in kaart. Binnen de Europese Unie pleiten we voor een gelijk speelveld tussen e-commerce bedrijven en onze kleinhandel door de milieukosten van de verzending van pakjes door te rekenen aan de producent.

In vergelijking met andere Europese landen scoren Vlaanderen en België niet goed inzake het aantal snelgroeien- de ondernemingen. Bedrijven ervaren drempels die hen beletten om door te groeien en dat is een gemiste kans op extra groei, werkgelegenheid en welvaartscreatie. We zetten daarom een ambitieus actieplan voor scale-ups op poten. Een oud zeer zijn de vele administratieve verplichtingen en rompslomp, in het kader van ons ‘Kafka-plan’ werken we aan een radicale vereenvoudiging en digitalisering van onze overheid. Zo wordt de opstart en het beheer van een onderneming volledig gedigitaliseerd. We blijven de positieve aspecten van ondernemerschap belichten en breiden het statuut van student-ondernemer uit naar 16-18 jarigen.

Via het immigratiebeleid trekken we daarenboven ambitieuze buitenlandse ondernemers aan via start-up-visa en scale-up-visa.

Digitale make-over

Onze overheid is nog steeds te groot en te log. Diensten die niet met elkaar communiceren, documenten die je tel- kens opnieuw moet opsturen, eenvoudige attesten waarvoor je nog steeds naar een loket moet,… Het zorgt voor frustratie, vertraging én een dure overheidsadministratie. We moeten de kansen die digitalisering biedt grijpen. Zo creëren we een klantvriendelijke overheid, die bovendien efficiënter werkt.

Om dit concreet te maken hebben we in ons ‘Kafka-plan’ 40 vereenvoudigingsvoorstellen opgesteld, 20 voor bur- gers en 20 voor ondernemingen, waarmee de volgende regering meteen aan de slag kan. Nieuwsgierig? Je kan het ‘Kafka-plan’ hier raadplegen op onze website.

Slim investeren

In komende legislatuur willen we volop op de ingeslagen weg van de publiek-private samenwerkingen verder gaan om de investeringsachterstand waar ons land mee kampt weg te werken. We voorzien hierbij in een in- vesteringsplan van 10 miljard euro in zowel weg-, fiets-, tram-, haven-, en schoolinfrastructuur. De noodzakelijke beschikbaarheidsvergoedingen en forfaitaire subsidies – ten belope van jaarlijks om en bij de 750 miljoen euro

– die verschuldigd zijn op het moment van de realisatie van deze infrastructuur voorzien we door een interne herschikking van bestaande klassieke investeringsmiddelen én het verhogen van de beschikbare investeringsmid- delen aan de hand van het instellen van een investeringsnorm die de focus verschuift van lopende uitgaven naar investeringsuitgaven.

Een land dat voorop loopt

We zijn vooruitgangsoptimisten: wetenschap en innovatie zijn voor ons dé sleutel tot vooruitgang op sociaal, eco- nomisch en maatschappelijk vlak. Vlaanderen en België hebben heel wat troeven, maar er is nog een kloof met de toplanden. Onze ambitie is om Vlaanderen in de top vijf van innovatieve Europese regio’s te brengen. De voorbije legislatuur werden al heel wat belangrijke stappen vooruit gezet. De publieke en private uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) in Vlaanderen bedragen samen 2,7% van het bruto regionaal product. Dat is een record: nooit werd in Vlaanderen méér geïnvesteerd in wetenschap en innovatie.

Op die ingeslagen weg moeten we verder. Onze basisvisie is dat de overheid onderzoekers en bedrijven in de eerste plaats moet faciliteren en ondersteunen via onderzoeksfinanciering, goede infrastructuur en zo gunstig mogelijke omgevingsvoorwaarden. Daarnaast moet volop worden ingezet op samenwerking tussen overheid, kennisinstellingen en bedrijfsleven, over de grenzen van landen en regio’s heen. Het clusterbeleid wordt verderge- zet en bijgestuurd waar nodig.

De Vlaamse overheidsinvesteringen in O&O bedragen 0,89% van het bruto regionaal product in 2019. We moeten verder evolueren naar de 1% norm, zodat we aansluiting vinden met de toplanden. We tekenen een realistisch en geleidelijk traject uit, zodat het werkveld kan anticiperen en de extra middelen zinvol kan inzetten. We spreiden de middelen tussen fundamenteel onderzoek, strategisch basisonderzoek en toepassingsgericht onderzoek, met voldoende aandacht voor vraaggerichte kanalen en de omzetting van kennis in bedrijfseconomische en maat- schappelijke toepassingen. De fiscale voordelen voor onderzoekers worden minstens op het huidige niveau be- houden.

Extra middelen op zich volstaan uiteraard niet: waar het om gaat is dat deze oordeelkundig worden ingezet. Daarom evalueren we de steuninstrumenten voortaan systematisch. Indien ze de beoogde doelstellingen niet voldoende bereiken worden ze bijgestuurd of opgeheven.

Ook al werd het overheidslandschap inzake economie, wetenschap en innovatie de voorbije jaren reeds vereen- voudigd, toch blijven heel wat agentschappen, instellingen en structuren bestaan. Structuren worden daarom systematisch geëvalueerd en overlappingen maximaal vermeden. Op Vlaams niveau worden de politieke be- voegdheden voor Hoger Onderwijs en Economie, Wetenschapsbeleid en Innovatie samengebracht. Samenwer- king moet maximaal gestimuleerd worden, onder andere via de financieringscriteria. Tevens moet de economi- sche impact belangrijker worden als criterium in de evaluatie en financiering.

Inzake onderzoek en innovatie is er vandaag een sterke afhankelijkheid van enkele grote spelers en sectoren. Zo gebeurt 80% van alle O&O-bedrijfsuitgaven in Vlaanderen door slechts 200 bedrijven. Er is nood aan een bredere innovatiebasis, waarbij vooral kmo’s nog meer moeten bereikt worden. De innovatiesteun wordt administratief verder vereenvoudigd en de doorlooptijden voor steunaanvragen verkort.

We voorzien een nieuw steunkader voor initiatieven van sectorfederaties en kenniscentra die bedoeld zijn om ken- nis, onderzoeksresultaten, technologie en toepassingen breed te verspreiden naar bedrijven en dan voornamelijk kmo’s.

We versterken het beleid waarbij de overheid in haar aankoopbeleid focust op innovatieve oplossingen en toe- passingen. De Vlaamse overheid besteedt momenteel 4% van haar totale aankoopbudget op die manier. Dat aandeel moet toenemen, zodat ook start-ups makkelijker kunnen deelnemen aan opdrachten. We lanceren een gelijkaardig beleid op federaal niveau.

We blijven investeren in fundamenteel wetenschappelijk onderzoek. We evalueren de hervorming van het FWO en sturen bij waar nodig. We leggen meer de klemtoon op samenwerking en interdisciplinariteit. Tevens moet er binnen het FWO meer ruimte zijn voor vernieuwend doorbraakonderzoek. Een rationalisatie van de vele kanalen voor financiering voor onderzoek maakt deel uit van een algemene hervorming van het financieringssysteem van het hoger onderwijs, met als doel meer transparantie en efficiëntie. Er wordt een investeringsplan voor de lange termijn opgemaakt om te kunnen tegemoetkomen aan de toenemende noden inzake onderzoek infrastructuur.

Iedereen aan het werk.

Met een ambitieus pakket maatregelen willen we een kwantumsprong maken in ons arbeidsmarktbeleid en

300.000 jobs creëren, dat zijn 139.500 jobs extra bovenop de jobaangroei die het Planbureau voorspelt bij onge- wijzigd beleid. We doen dat door werken nog lonender te maken en door onze arbeidsmarkt drastisch te hervor- men. In Nederland en Duitsland schommelt de werkzaamheidsgraad rond de 80%, bij ons is dat vandaag 70%. Met onze maatregelen gaan we de volgende legislatuur in de richting van 75%, om daarna het verschil met Nederland en Duitsland volledig te werken.

Een snelle activering en ondersteuning van werklozen

Een job is de beste garantie op geluk en welvaart. Wie werkloos wordt kan op onze steun rekenen om snel opnieuw aan de slag te gaan. Daar tegenover staat dat we de werkloosheidsuitkering beperken in de tijd. Wie wil werken kan op onze steun rekenen, maar we moeten ook streng zijn voor de minderheid die niet mee wil.

Iedereen kan de pech hebben om werkloos te worden. Je inkomen valt weg, maar de rekeningen blijven lopen. Daarom verhogen we de werkloosheidsuitkering tijdens de eerste drie maanden werkloosheid. Na drie maanden, na zes maanden, na negen maanden, enzovoort, wordt de uitkering telkens een stuk verlaagd. Na twee jaar wordt de uitkering stopgezet.

De werkloosheidsuitkering wordt beperkt in de tijd, maar de begeleiding tijdens die periode wordt wel intensiever. We zorgen ervoor dat elke werkzoekende ten laatste na zes maanden ofwel een nieuwe job heeft ofwel op een andere manier actief is. Dat betekent een relevante opleiding bij de VDAB of een erkende opleidingsverstrekker volgen, of in een traject zitten van tijdelijke werkervaring of wijk-werken.

Bijzondere aandacht gaat naar de toeleiding van werkzoekenden naar knelpuntberoepen. We ontwikkelen hier- voor een actieplan met streefcijfers. We verdubbelen het aantal individuele beroepsopleidingen tegen 2025. We

nemen ook maatregelen om meer Waalse en Brusselse werkzoekenden naar Vlaamse vacatures toe te leiden. De toeleiding van werkzoekenden naar vacatures mag niet langer louter gebaseerd zijn op diploma’s. De elders verworven competenties moeten ook worden meegenomen. Werkgevers moeten actief aangemoedigd worden om het diploma niet als doorslaggevend te beschouwen.

Als regisseur van de arbeidsmarkt schakelt de VDAB ook private wervings- en selectiekantoren en uitzendbedrij- ven optimaal in om werklozen aan een job te helpen. We stimuleren ondernemerschap bij werkzoekenden. We nemen extra maatregelen om werklozen die kiezen voor een zelfstandige activiteit daar tijdens hun werkloos- heidstraject beter op voor te bereiden.

We belonen OCMW’s die mensen

met een leefloon snel aan een job helpen

Wie een leefloon krijgt, sluit een contract af met het OCMW. Daarin worden afspraken gemaakt met de persoon die een leefloon krijgt om zijn of haar situatie snel te verbeteren, waaronder het vinden van een job. Het active- ringsbeleid en de resultaten verschillen evenwel heel sterk van OCMW tot OCMW. Om de gemeenten financieel te responsabiliseren, berekenen we de federale subsidie aan de OCMW’s voortaan per leefloner en belonen we OCMW’s die sneller activeren. Lokale besturen die inzetten op een snelle(re) activering, krijgen zo een extra finan- cieel voordeel. Zo zijn we zeker dat iedereen die een leefloon krijgt, los van zijn of haar woonplaats, op de best mogelijke manier geholpen wordt om weer op eigen benen te kunnen staan.

We hebben iedereen nodig

Het aantal werklozen is de voorbije jaren sterk gedaald, maar die cijfers verhullen een grote groep inactieven die vaak niet op zoek zijn naar werk. Maar liefst 26% van de Belgen in de leeftijdscategorie 20-64 jaar werkt niet en zoekt evenmin een baan. In Nederland en Duitsland ligt dat rond de 18%.

Als centrale regisseur van de arbeidsmarkt moet de VDAB die ‘stille arbeidsreserve’ aanspreken en hen ondersteu- nen in de zoektocht naar een job. Hierbij moet optimaal gebruik gemaakt kunnen worden van digitale dataver- werving en -matching. Naast de VDAB mogen ook andere, private, partners, zoals de uitzendkantoren, helpen om mensen aan het werk te krijgen. We zetten in op extra informatieverstrekking en stimulansen zodat deze mensen zich zo snel mogelijk aanbieden als werkzoekende.

Om de kloof tussen mensen met een gezondheidsachterstand en de arbeidsmarkt te dichten, moeten we inzetten op vroegere en betere begeleiding op maat. We versterken de re-integratietrajecten en voorzien meer interactie- ve samenwerking tussen de verschillende artsen om alle langdurig zieken een persoonlijke begeleiding op maat van hun gezondheidssituatie te geven. De focus moet liggen op datgene wat iemand nog kan in plaats van op wat iemand niet meer kan. (Deeltijds) werk is in vele gevallen zelfs goed voor het genezingsproces.

Wanneer het medisch aangewezen is, begeleiden we de mensen naar werk. Hiervoor schakelen we de behande- lende arts en de expertise van de regionale arbeidsbemiddeling mee in. We willen ‘disability managers’ een plaats geven in het begeleidingstraject van (langdurig) zieke werknemers.

Alle partijen moeten hier hun steentje toe bijdragen: de werkgever, de arbeidsongeschikte persoon zelf en de art- sen. We gaan voor een sterkere responsabilisering van alle betrokkenen.

We motiveren mensen om langer aan de slag te blijven

Ook 55-plussers tellen mee op de arbeidsmarkt. Het kan daarom niet langer dat zij zomaar aan de kant worden geschoven. Het stelsel van werkloosheidsuitkering met bedrijfstoeslag (SWT), het vroegere brugpensioen dus, werd de voorbije jaren verstrengd. De tijd is nu gekomen om het volledig af te schaffen. We respecteren de verworven rechten van wie reeds in het systeem zit, maar laten geen nieuwe instroom meer toe. Voor diegenen die al in SWT zitten, moet de VDAB extra stappen zetten als het aankomt op activering. De aangepaste beschikbaarheid mag geen dode letter blijven: aan SWT’ers moeten veel meer vacatures worden aangeboden.

We zorgen er ook voor dat oudere werknemers langer aan de slag kunnen blijven door het systeem van de zachte landingsbanen te versterken, waarbij oudere werknemers overschakelen naar een lichtere functie of 4/5e werken. We verlagen de leeftijdsvoorwaarde om toe te treden tot het stelsel naar 55 jaar. Bovendien zijn er vaak financiële drempels die de mensen tegenhouden om de stap naar een zachte landingsbaan te zetten. Daarom stellen we de aanvullende vergoeding die werknemers krijgen van hun werkgever ook vrij van personenbelasting, naast de vrijstelling van RSZ die reeds bestaat.

We maken het gemakkelijker voor werkgevers om personeel ter beschikking te stellen aan andere werkgevers, en maken transitietrajecten mogelijk waarbij een deel van de opzegperiode al gepresteerd wordt bij de nieuwe werkgever.

We introduceren een systeem van werken met bedrijfstoeslag waarbij werknemers met akkoord van hun werkgever overgaan naar een andere werkgever. De ex-werkgever kan een toeslag betalen bij het loon dat de werknemer krijgt bij de nieuwe werkgever. Dit laat toe om een vlotte transitie te organiseren naar werkgevers en sectoren die personeel te kort hebben en voorkomt dat mensen in de werkloosheid terechtkomen.

Oudere werknemers, vooral bedienden, zijn duurder voor werkgevers door de sterke koppeling van brutoloon aan anciënniteit. Wij mikken daarom vooral op een verhoging van de nettolonen, in plaats van op een sterke verhoging van de brutolonen. Om 55-plussers meer kansen te geven, zal voortaan bij herstructureringen een leeftijdspirami- de moeten worden gehanteerd.

Werkbaar werk = wendbaar werk

Je bepaalt zelf wanneer, waar en hoeveel je werkt.

Werkbaar werk gaat over veel meer dan voltijds of deeltijds werken. Een gebrek aan autonomie of werk dat niet goed aangepast is aan de competenties of voorkeuren van werknemers, zijn eveneens belangrijke factoren die tot burn-outs en andere psychosociale problemen kunnen leiden. Werkbaar werk hangt dus ook samen met vrijheid, en wel met de vrijheid om je job zoveel mogelijk naar eigen goeddunken te kunnen invullen. Wie ervoor kiest om minder te werken, moet dat kunnen doen.

We hebben vandaag heel wat oude wetten en regels die bepalen wanneer je niet mag werken. We  kiezen daar-  om resoluut voor een wit blad en voeren een nieuwe, flexibele en eenvoudige regeling inzake arbeidstijd in. Zolang men binnen de randvoorwaarden blijft die de Europese regels voorschrijven, zijn ondernemingen en werknemers vrij om het werk in te delen zoals zij dat zelf willen. Zij kunnen daarbij kiezen voor de nieuwe regeling of voor het bestaande kader. Uiteraard blijft de 38-urenweek behouden als ijkpunt.

Vrijheid geven aan werknemers, dat betekent ook dat we drempels wegnemen voor het loopbaansparen. Wie overuren of extralegaal verlof wil opsparen in een loopbaanportefeuille, om bijvoorbeeld achteraf een tijd lang 4/5en te werken of – waarom niet – een wereldreis te maken zonder loonverlies, moet dat kunnen. Uiteraard steeds in overleg met de werkgever. We vereenvoudigen de formaliteiten inzake de gemotiveerde overuren en verhogen het aantal vrijwillige overuren van 100 naar 200 per jaar. We introduceren het right to ask & duty to consider. Dat betekent dat een werkgever bijvoorbeeld aan zijn werkgever kan vragen om thuis te mogen werken.

Die kan weigeren, maar enkel na motivering. Zo wakkeren we de dialoog op de werkvloer aan, niet alleen over thuis- en telewerken maar ook over, glijdende uren, schoolbelcontracten, de ene week meer werken en de andere week minder, plaats- en tijdsonafhankelijk werken, zelfsturende teams, enzovoort.

We maken daarenboven experimenten mogelijk in de arbeidsorganisatie, met een duurtijd van maximaal drie jaar. Om dergelijke experimenten nadien verder te zetten, moet een cao worden gesloten met minstens één vakbond. Uiteraard kan het nooit de bedoeling zijn dat werkgevers bepaalde zaken afdwingen tegen de wil van de werk- nemers in, en vice versa. Voor wie zich goed in zijn vel voelt in een klassieke 38-urenweek en een klassieke werkdag van 9 tot 5, hoeft er niets te veranderen. Een goed functionerend sociaal overleg is daarom essentieel. Wij geloven in de kracht van het sociaal overleg op bedrijfsniveau. Als men op bedrijfsniveau een nieuwe arbeidstijdregeling wil invoeren en verankeren in een cao, dan moet dat voortaan kunnen zonder handtekening van de vakbondsse- cretaris.

We versoepelen zondagsarbeid, avond- en nachtwerk.

We brengen werk en gezin in evenwicht

We nemen extra maatregelen zodat de combinatie tussen werk en gezin gemakkelijker wordt en ook vaders meer tijd kunnen besteden aan de zorg voor de kinderen. We trekken het vaderschapsverlof op van tien naar twintig dagen. We vervangen alle andere aan kinderen gerelateerde verloven door een nieuw, flexibel ouderverlof waarbij men ook kan kiezen voor hogere uitkeringen gedurende een kortere periode. Via een eenvoudig toegankelijke app en website kan iedereen nagaan waar hij of zij recht op heeft. Elke ouder krijgt een ouderverlofkrediet per kind en kan dat flexibel gebruiken. Zo kunnen ouders beslissen om gedurende 6 tot 12 maanden thuis te blijven voor de kinderen, aan een hoge uitkering, in plaats van gedurende 51 maanden tijdskrediet te nemen aan een te lage uitkering.

Als beide ouders een minimale hoeveelheid verlof nemen, dan krijgt het gezin bovendien recht op extra maanden die ze onderling kunnen verdelen. We verliezen de werkgevers niet uit het oog. Voor hen is het niet altijd evident om vervanging te vinden voor werknemers die verlof nemen. We hanteren duidelijke regels om daarmee rekening te houden.

Daarnaast breiden we het kwaliteitsvolle en betaalbare aanbod aan kinderopvang uit. We richten ons daarbij ook op opvang met ruimere openingsuren. Bovendien verdriedubbelen we de belastingvermindering voor de opvang van kinderen jonger dan drie jaar. We stimuleren ouders op die manier om aan de slag te blijven en vermijden dat één van beiden thuis blijft om voor de kinderen te zorgen uit financiële overweging.

Een meer evenwichtige verdeling van de zorgtaken tussen moeders en vaders zal een positief effect hebben op de carrières, het inkomen en het pensioen van vrouwen. Er bestaat nog steeds een loonkloof tussen mannen en vrouwen. Om de problematiek beter in kaart te kunnen brengen, zullen grote ondernemingen, overheidsdiensten en publieke instellingen de loonkloof en de uurloonkloof die bij hen bestaat, moeten bekendmaken.

Eén sociale zekerheid, met een basis- en werkverzekering én recht op twee jaar opleiding

De tijd waarin mensen hun hele carrière lang zelfstandige waren, of ambtenaar, of werknemer, is voorbij. Het is tijd om komaf te maken met de opdeling van de sociale zekerheid in drie stelsels. We hervormen de sociale zekerheid naar een hedendaags ‘cappuccinomodel’ dat voor iedereen gelijk is en bestaat uit vier lagen.

De eerste laag is de basisverzekering. Die wordt gefinancierd uit de algemene middelen en bevat de niet-ar- beidsgebonden risico’s. Het gaat dan onder andere om de ziekteverzekering, de kinderbijslag, uitkeringen voor

personen met een handicap en de sociale bijstand. De tweede laag is de werkverzekering: die wordt gefinancierd met de sociale bijdragen en bevat de arbeidsgebonden risico’s zoals werkloosheid, pensioenen, arbeidsonge- schiktheid, arbeidsongevallen en beroepsziekten. De derde laag bevat de aanvullende collectieve verzekeringen, op sectoraal of bedrijfsniveau. Denken we maar aan de tweede pensioenpijler en aanvullende verzekeringen  tegen arbeidsongeschiktheid. De vierde laag, tot slot, ligt bij het individu zelf en omvat het pensioensparen en de hospitalisatieverzekeringen.

We voeren ook een nieuw sociaal risico in: het risico op verlies van een job door verouderde kennis en competen- ties. Het enorme potentieel van automatisering en artificiële intelligentie om extra welvaart te creëren, heeft een belangrijke keerzijde: heel wat taken dreigen irrelevant te worden. De sociale zekerheid moet het mogelijk maken dat mensen zichzelf – ook op latere leeftijd – kunnen bijscholen en zelfs herscholen. Het nieuw sociaal risico in- zake opleiding zal zich concretiseren in een opleidingsrekening. Die opleidingsrekening moet ervoor zorgen dat iedereen die het nodig heeft de kans krijgt om zich bij- of om te scholen en dat gedurende twee jaren (voltijds equivalent).

De middelen die nu worden besteed aan lange opzegvergoedingen leiden we deels af naar deze opleidingsreke- ning. Opzegvergoedingen, zeker voor opzegperiodes van zes maanden of langer, zijn een heel passief instrument. Deze middelen kunnen veel nuttiger worden besteed. Door te investeren in opleiding kunnen ontslagen daaren- boven gemakkelijker worden vermeden.

Dankzij de opleidingsrekening kan een werknemer zonder inkomensverlies een opleiding volgen. Die kan als doel hebben om de bestaande functie te kunnen blijven uitoefenen of om nadien een andere functie in te kunnen vullen bij dezelfde werkgever. Maar het kan ook om een opleiding gaan die gericht is op het vinden van een nieuwe job. De werkgever moet uiteraard akkoord gaan. Sterker nog, het doel is dat werkgevers ook opleidingen voorstellen aan hun werknemers. Aangezien de overheid via de opleidingsrekening een deel van de kosten op zich neemt, worden werkgevers volop aangemoedigd om van het nieuwe systeem gebruik te maken.

We evolueren stapsgewijs en beginnen in de volgende legislatuur met de opleidingsrekening en de opwaardering van het zelfstandigenstatuut. Het pensioen van zelfstandigen wordt op dezelfde manier berekend als dat van werknemers.

Uw zorg, onze zorg.

België heeft de tweede meest toegankelijke zorg van Europa. Globaal genomen staat onze gezondheidszorg op de vierde plaats in Europa. Onze sociale zekerheid en in het bijzonder onze gezondheidszorgverzekering, is gene- reus. We doen het goed, maar we moeten nog ambitieuzer zijn.

Onze burgers hebben recht op de beste zorg, aan de beste prijs. Daarvoor moeten we de opgestarte hervormin- gen onder minister van Volksgezondheid Maggie De Block verderzetten. We focussen op de patiënt en hervormen de structuren, zodat de middelen zo efficiënt mogelijk ingezet worden. We willen de beste gezondheidszorg aan onze burgers bieden en die toegankelijk houden voor iedereen.

Betalen voor kwaliteit in plaats van prestaties

Door in te zetten op specialisatie verhogen we de kwaliteit van de zorg, de levensverwachting van de patiënt en het levenscomfort. Er is een ontegensprekelijk verband tussen de overlevingskansen op langere termijn na een ingreep en het aantal van diezelfde ingrepen die een bepaald ziekenhuis uitgevoerd worden: hoe meer eenzelfde ingrepen een ziekenhuis doet, hoe groter de overlevingskans. Bovendien wordt er efficiënter gewerkt. Niet elk zie- kenhuis moet dus elke behandeling aanbieden, integendeel.

We aanvaarden niet langer dat je overlevingskansen met 10 procent dalen afhankelijk van het ziekenhuis dat je kiest voor een behandeling van bijvoorbeeld darmkanker. Daarom stappen we af van het IKEA-model voor zie- kenhuizen (‘Ik Kan Echt Alles’) en zetten we in op centralisatie en specialisatie. Goede basiszorg blijf je uiteraard dicht in de buurt vinden.

Als patiënt heb je het recht om op de hoogte te zijn van de kwaliteit die door zorgverleners en zorginstellingen wordt geleverd, zodat je zelf een bewuste keuze kan maken voor een zorgvoorziening. Deze informatie is essenti- eel om als patiënt mee te kunnen beslissen en om de kwaliteit in de gezondheidszorg te verhogen. We maken de beschikbare data daarom publiek toegankelijk op een begrijpelijke manier.

Het publiek maken van deze gegevens zal zorgverleners en instellingen stimuleren om te streven naar de hoogste kwaliteit en de beste resultaten. De patiëntenervaringen en –tevredenheid zullen daarbij ook systematisch wor- den bevraagd, gemeten en gerapporteerd.

In de ziekenhuisfinanciering werden de eerste stappen gezet naar een kwaliteitsgedreven in plaats van een pres- tatiegedreven financiering. Met andere woorden: je betaalt niet langer voor het aantal behandelingen, maar wel voor het resultaat er van. Zo vermijden we overconsumptie, nutteloze behandelingen en stimuleren we ziekenhui- zen om zo efficiënt mogelijk te werken.

Ook voor de Vlaamse zorgsectoren is de ontwikkeling en uitrol van kwaliteitsindicatoren in volle gang. Het hante- ren van meetbare ‘outcome’ parameters kan dienen als incentive voor financiële responsabilisering. Voorzieningen die slecht scoren zullen inleveren op organisatiegebonden financiering vanwege de overheid. Voorzieningen die goed scoren, kunnen rekenen op boni.

Door te focussen op kwaliteitsgedreven zorg en daar ook de financiering aan te koppelen gaan we verspilling en oneigenlijk gebruik in de gezondheidszorg tegen. Op die manier maken we middelen vrij om ook innovatieve geneeskunde toegankelijk te houden voor elke patiënt. Met andere woorden: door efficiënter te werken, zorgen we er voor dat dat de gezondheidszorg betaalbaar blijft voor de burgers. Ook voor nieuwe en innovatieve be- handelingen.

We onderzoeken tot slot hoe goederen en diensten voor gezondheidszorg en waarvoor de patiënt zelf de kosten draagt, kunnen worden vrijgesteld van btw of ten hoogste onderworpen worden aan de 6% btw-regeling.

De beste zorg tot in je woonkamer

Mensen voelen zich het best in hun thuisomgeving en willen daar zo lang mogelijk verblijven, logisch. Waar moge- lijk moeten we er naar streven om de beste zorg tot in de woonkamer van de mensen te brengen.

De digitale revolutie biedt hier grote kansen. We kunnen mensen niet alleen vanop afstand volgen en monito- ren door middel van met het internet verbonden toestellen. Ook gesprekken met artsen kunnen vanop afstand gebeuren. Dit is uiteraard een aanvulling op het normale zorgaanbod. Maar op deze manier kunnen we mensen helpen daar waar dat voor hen het beste is: in een ziekenhuis, of gewoon bij hen thuis. We voorzien hiervoor een officiële plaats en terugbetaling binnen onze gezondheidszorg.

Ook gecentraliseerde expertise komt tot bij de patiënt thuis. Hierbij wordt bijzondere aandacht besteed aan ge- specialiseerde zorg voor kinderen, waarbij gespecialiseerde teams ook thuis kunnen worden ingeschakeld zodat de afstemming met de multidisciplinaire behandelingsequipe wordt verzekerd en zelfs thuishospitalisatie mogelijk wordt.

Een gezonde geest, in een gezond lichaam

De mentale gezondheidszorg is op korte termijn opgeklommen tot één van de grote uitdagingen in onze samen- leving. We moeten mensen niet enkel fysiek gezond maken, we moeten hen ook mentaal versterken. Een gezonde geest, in een gezond lichaam. Daarom investeren we volop in ons mentaal kapitaal.

Van een volledig verweesd aanbod inzake geestelijke gezondheidszorg evolueren we in ons land steeds meer naar een voorbeeld van ‘best practice’. Er komt uitbreiding en veralgemening van de terugbetaling van de eerstelijns klinisch psychologische zorg naar kinderen, jongeren en ouderen. Hierdoor zullen de wachttijden bij de centra geestelijke gezondheidszorg (CGG) worden ingekort, waardoor het gespecialiseerde psychiatrische aanbod ont- last wordt en tegelijkertijd de toegankelijkheid versterkt.

De vermaatschappelijking van de geestelijke gezondheidszorg wordt geleidelijk aan verder uitgebouwd. In plaats van mensen af te zonderen in instellingen of ziekenhuizen proberen we hen zo veel als mogelijk te helpen binnen de samenleving en de gewone gezondheidszorg. Hierdoor bouwen we het overaanbod aan geestelijke gezond- heidszorg binnen de muren van de psychiatrische ziekenhuizen af en kan een groter aantal gespecialiseerde ver- pleegkundigen worden ingezet dicht bij de burger die nood heeft aan geestelijke gezondheidszorg.

We introduceren het trainingsschema “Mental Health First Aid” waardoor meer mensen psychische problemen kunnen herkennen en weten hoe en waar ze voor die persoon hulp kunnen vinden. Op deze manier wordt de be- spreekbaarheid van mentale problemen binnen de samenleving ook vergroot.

De juiste zorgverlener voor de juiste zorg

Méér patiënten en méér chronische aandoeningen vragen méér zorgverleners. Door er voor te zorgen dat juiste mensen op de juiste plaats worden ingezet kunnen we onze zorg veel effectiever maken.

We versterken de centrale rol van de huisarts door het uitrollen van eerstelijnszones. Apothekers worden aange- moedigd om hun rol als huisapotheker op te nemen. Indien je tijdens de wachtdienst dringend nood hebt aan een terugbetaald geneesmiddel dan betaal je als patiënt geen toeslag meer.

Hoog opgeleide verpleegkundigen, die vier jaar opleiding krijgen, kunnen niet langer worden ingezet voor gewo- ne hygiënische zorgen. Dergelijke handelingen kunnen perfect door andere zorgverleners gebeuren waardoor de verpleegkundigen op hun beurt meer tijd kunnen besteden aan de patiënt.

We zetten in op de herwaardering van de verpleegkundigen door ontwikkelingskansen, specialisatiemogelijkhe- den en voldoende uitdaging aan te bieden.

Tegelijk wordt de zorg complexer en wordt voor andere zorgverleners expertise en verregaand klinisch redeneren steeds belangrijker. Het zal dus van het grootste belang worden om de beschikbare expertise en competentie van de verschillende zorgberoepen onderling optimaal af te stemmen door meer en beter multidisciplinair samen te werken. Hier ligt een cruciale taak weggelegd voor de lokale zorgraden van de eerstelijnszones, waar al deze actoren met elkaar in overleg zullen gaan. We zetten de hervorming van de eerstelijnszorg daarom verder en ra- tionaliseren zo ook het aantal overlegstructuren.

Elke zorgverlener moet (in)staan voor kwaliteit. De wet op de kwaliteitsvolle praktijkvoering waardoor zorgverleners continuïteit van zorg moeten garanderen, deel moeten nemen aan de permanentie en extra kwaliteitsvoorwaar- den moeten naleven bij anesthesie, zal verder worden uitgevoerd.

Personen die wettelijk beschermde zorgberoepen uitoefenen zonder geldig visum zullen effectief worden vervolgd.

Preventie wordt het ordewoord

Voorkomen is altijd al beter geweest dan genezen, daarom blijven we volop inzetten op preventie.

We ondersteunen en belonen huisartsen die zelf actief hun patiënten begeleiden op vlak van preventie en er in slagen om een vooropgesteld percentage van hun patiënten te laten deelnemen aan bevolkingsonderzoeken of de vaccinatie tegen griep. Dat doen we met intensieve informatie- en sensibiliseringscampagnes om de burgers te informeren over de meerwaarde van vaccinaties en we bestrijden fake news over de gezondheidsrisico’s.

Voor mensen die werken in de gezondheidszorgsector of beroepsmatig veel in contact komen met kleine kinderen en ouderen is de vaccinatie extra belangrijk. Zij hebben een bijzondere verantwoordelijkheid tegenover hun pati- enten en cliënten die extra kwetsbaar zijn.

Ook in de strijd tegen kanker werken we preventief. We passen de oproepbrieven aan voor deelname aan de be- volkingsonderzoeken voor borstkanker, darmkanker, baarmoederhalskanker om meer mensen beter te bereiken, in het bijzonder kwetsbare bevolkingsgroepen. Deze kankers zijn goed behandelbaar indien ze in een vroeg stadium opgespoord worden.

De ‘Generatie Rookvrij’ wordt gepromoot. We maken dat elk kind dat vanaf nu geboren wordt rookvrij kan op- groeien en kan weerstaan aan de verleiding van de eerste sigaret.

We moedigen burgers ook verder aan om ten volle deel te nemen aan het mondzorgtraject, waarbij je jaarlijks naar de tandarts gaat aan een verlaagd tarief. We verlaten de leeftijdsgrens van 67 jaar, waardoor iedereen ge- bruik kan maken van het verlaagde tarief bij een jaarlijks tandartsbezoek.

We maken afspraken met de scholen en zetten programma’s op om goede mondhygiëne te ondersteunen voor elk kind. Door via de scholen te werken bereiken we alle kinderen en wordt de gezondheidskloof van kansarme kinderen verkleind.

Via coachingprogramma’s helpen we mensen om chronische aandoeningen te voorkomen of om bij de behande- ling van die aandoeningen de gezondheid van de patiënt maximaal te vrijwaren. Voorbeelden hiervan zijn ‘Bewe- gen op verwijzing’ en ‘Rookstopbegeleiding’. We breiden de programma’s uit en werken samen met huisartsen ze patiënten kunnen informeren en doorverwijzen.

Met de voedingssector maken we afspraken om te komen tot een verdere vermindering van het zout-, suiker- en vetgehalte in bereide voeding. Het gebruik van de nutri-score, die er onder impuls van Maggie De Block is geko- men, wordt verder gestimuleerd en ondersteund.

Preventie wordt ook in de geestelijke gezondheidszorg het ordewoord: reeds in het (kleuter)onderwijs komt er aandacht voor stressbeheersing. Er wordt bekeken hoe we mindfulness op een haalbare en wetenschappelijk onderbouwde manier bij het ruime publiek ingang kunnen doen vinden : op school, op het werk, enz.

Tot slot voeren we ook sensibiliseringscampagnes naar artsen en vroedvrouwen voor de preventie van postnatale depressies. Risicofactoren op postnatale depressie worden vroegtijdig opgespoord.

Het zijn jouw gegevens

Je hebt als patiënt recht om je eigen gezondheidsgegevens te raadplegen. De Personal Health Viewer (PHV) bestaat sinds 2018 en laat elke burger toe zijn eigen gezondheidszorggegevens te raadplegen. De PHV werd af- gelopen jaar voor de eerste keer uitgebreid. Dit proces moet verder worden uitgewerkt, zodat de patiënt via één platform toegang heeft tot alle voor hem belangrijke gezondheidsgegevens.

We verduidelijken en versterken de wettelijke regeling om aan te geven dat elke burger eigenaar is van en beschikt over zijn eigen gezondheidsinformatie die zorgverleners en ook bedrijven in handen krijgen bij het afnemen en analyseren van genetische tests, het gebruik van apps voor diagnostische doeleinden of opvolgen van therapie- en, enz… Processen voor elektronische gegevensdeling worden verder geoptimaliseerd en streng bewaakt.

Ouderen blijven regisseur van hun leven

In 2030 zal 1 op de 4 Vlamingen ouder zijn dan 65 jaar, 7% zal zelfs ouder zijn dan 80 jaar. Ouderen hebben vaker ondersteuning nodig, maar willen wel hun eigen leven blijven organiseren. Naast het aspect van de pure zorg, moeten we ook aandacht hebben voor de kwaliteit van leven, zowel voor de oudere als voor zijn mantelzorger(s).

Mensen blijven liefst zo lang mogelijk in hun vertrouwde omgeving. Om dat mogelijk te maken is een goede sa- menwerking en coördinatie tussen zorgverstrekkers, ouderen en innovatieve toepassingen nodig. Wij willen zorg dragen voor de mantelzorgers door hun noden op te nemen in het zorgplan voor de oudere, door hen psy- cho-educatie te geven, voldoende vrije tijd te laten en door de papierwinkel te vereenvoudigen. Lokale besturen kunnen dit ondersteunen door te werken aan voldoende buurtzorg en door het vrijwilligerswerk te stimuleren.

De persoonsvolgende financiering voor zorgafhankelijke ouderen is in de regelgeving ingeschreven en we zullen die zo realiseren dat ouderen vrij kunnen kiezen voor zorg en ondersteuning in een woonzorgcentrum, in de eigen thuisomgeving of voor een combinatie. We bieden zorg op maat en vraaggestuurd. De nood aan zorg en onder- steuning stopt niet om 17 uur ’s avonds of tijdens het weekend. Daarom wordt geïnvesteerd in meer thuiszorg op flexibele uren. Dat doen we door diensten voor gezinszorg meer vrijheid geven om hun urencontingent flexibel in te zetten in functie van de noden van de ouderen (zorg ’s nachts, ’s avonds, ’s morgens vroeg, tijdens het weekend).

Vandaag is de werkdruk in woonzorgcentra enorm hoog. 80% van de ouderen in woonzorgcentra zijn zwaar zorg- behoevend. Wij willen daarom in de volgende legislatuur investeren in bijkomend personeel door de financiering van ‘ROB-bedden’ op te waarderen tot ‘RVT-bedden’, zodat er voldoende handen aan het bed zijn om mensen te verzorgen en om van woonzorgcentra een thuis te maken.

Eenzaamheid heeft een negatieve impact op de levenskwaliteit van ouderen. Wij willen lokale besturen onder- steunen bij het nemen van maatregelen om eenzaamheid te voorkomen door hen good practices aan te reiken.

We werken de wachtlijsten weg

Volwassen personen met een beperking genieten nu de persoonsvolgende financiering. Ze blijken deze nieuwe vrijheid écht te gebruiken om zelf hun zorg te organiseren.

Ondanks het feit dat er in de vorige legislatuur al 330 miljoen euro werd geïnvesteerd in het wegwerken van de wachtlijsten, moeten we vaststellen dat veel minderjarigen en bepaalde groepen van volwassenen nog steeds te lang op ondersteuning moeten wachten. Daarom willen de volgende legislatuur opnieuw fors investeren in het wegwerken van de wachtlijsten.

In een eerste fase investeren we een bijkomend budget van 360 miljoen waarmee we de wachtlijsten voor minder- jarigen wegwerken en de wachtlijsten voor meerderjarigen sterk terug dringen. We kennen het extra budget toe  in de eerste drie jaar van de volgende legislatuur. Daarna evalueren we het effect hiervan en beslissen we over de inzet van bijkomende middelen om de noden die er nog zijn aan te pakken.

We voeren de persoonsvolgende financiering voor minderjarige personen met een beperking in de loop van 2020 in.

We onderzoeken hoe we particuliere initiatieven –zoals ouderinitiatieven- en groene zorginitiatieven meer kansen kunnen geven om zich te ontplooien tot leefbare woon- en ondersteuningsvormen voor personen met een beper- king. Zo geven we meer kansen aan sociaal ondernemerschap.

Een progressief en toekomstgericht ethisch kader

Een ‘vrij leven’ geeft aan elk individu de mogelijkheid om zich naar eigen inzicht te kunnen ontplooien en ont- wikkelen. Een essentiële voorwaarde daarvoor is de keuzevrijheid. Vrijheid die niet enkel wordt bepaald door de afwezigheid van dwang, maar vooral door de aanwezigheid van keuzes en kansen. Dit geldt zowel op sociaal, cultureel, politiek als economisch gebied. De wetenschappelijke en medische vooruitgang zorgt echter voor nieu- we uitdagingen. Ethische uitdagingen die een – wettelijk – kader vragen. We gaan geen enkel debat uit de weg, ook niet het debat om nieuwe ethische uitdagingen aan te gaan.

Je beslist zelf over je levenseinde.

Open Vld wil dat de wilsverklaring euthanasie onbeperkt geldig blijft in de tijd. Bovendien moet het toepassings- gebied ervan uitgebreid worden voor ‘verworven wilsonbekwaamheid’ zoals bijvoorbeeld dementie. Elke wilsbe- kwame patiënt moet de mogelijkheid hebben om vrijwillig, weloverwogen en gedetailleerd op te tekenen wanneer hij euthanasie wenst indien hij/zij onomkeerbaar wilsonbekwaam geworden is.

Artsen die omwille van de gewetensclausule geen euthanasie willen uitvoeren, moeten hun patiënten wel door- verwijzen zodat deze correct geïnformeerd en begeleid worden. Ook zorginstellingen beperken de keuzevrijheid bij het levenseinde al eens. Er moet een wettelijke verduidelijking komen zodat zorginstellingen euthanasie niet kunnen verhinderen. In Vlaanderen werd dergelijke verduidelijking onder onze impuls reeds regelgevend bepaald voor de woonzorgcentra.

Een verdere uitbreiding van de abortuswet.

Tijdens de vorige legislatuur werd vrije abortus op basis van de vaste overtuiging van de vrouw, uit het strafwet- boek gehaald. Er kwam ook een doorverwijsplicht voor de weigerende arts. Maar, de beperkte tijdlimiet van 12 weken na de bevruchting voor een zwangerschapsafbreking omwille van psychologische redenen bleef behou- den. Dit wil zeggen dat er nog altijd meer dan 500 vrouwen jaarlijks naar Nederland moeten om een zwanger- schapsafbreking te krijgen. Open Vld pleit daarom voor een verdere uitbreiding van de abortuswet. De tijdslimiet van 12 weken na bevruchting moet opgetrokken worden. Zo kunnen álle vrouwen die dat zelf willen in eigen land een abortus verkrijgen op een veilige en toegankelijke manier.

DNA-analyse en gentherapie, de nabije toekomst

Het DNA van een persoon kan nu al volledig in beeld gebracht worden. Binnen vijf à tien jaar kan de volledige genetische samenstelling van elke pasgeborene gemaakt worden. Dat geeft mogelijkheden en we juichen die ten volle toe. Maar er zijn ook valkuilen. Wat doen we met informatie over ziektebeelden waar we geen vat op hebben? Is iemand gebaat bij de wetenschap dat hij binnen tien jaar sterft en er geen behandeling mogelijk is? Wat met kinderen die hun DNA niet willen ontleden, maar waarvan de ouders dat wel doen en zo de facto ook gedeeltelijk het DNA van de kinderen ontleed hebben?

Gentherapie was in het laatste kwart van de vorige eeuw de grote belofte in de medische wereld. We zouden eindelijk komaf kunnen maken met genetische aandoeningen. Voorlopig is het succes beperkt, maar er is hoop voor de toekomst. Gentherapie brengt evenwel belangrijke vragen met zich mee: is het ethisch verantwoord om in te grijpen in de volgende generatie? Welke genetische aandoeningen laten we nog toe en welke niet?

Om te vermijden dat de wetenschap ons wetgevend kader inhaalt, moeten we hierover het debat aangaan en waar nodig de wetgeving verfijnen.

De keuze voor holebi’s om een gezin te stichten

Sinds 2015 is er een wettelijke regeling voor mee-moederschap. Lesbische koppels hoeven zo geen ingewikkelde adoptieprocedure meer te doorstaan om een afstammingsband te creëren met hun kind. Voor homoseksuele koppels is dat jammer genoeg nog steeds het geval. Daarom creëren we een wetgevend kader voor draagmoe- derschap. Zo kunnen ook homoseksuele koppels, binnen een wettelijk kader, kinderen krijgen en erkennen. Zonder slopende adoptieprocedures.

Een gezond land.

We willen goed en gezond kunnen leven, vandaag en in de toekomst. We pakken daarom het klimaatbeleid am- bitieus aan, maar laten niemand achter. We creëren een blauwe planeet en worden klimaatneutraal. We zetten volop in op energiebesparing in onze woningen, gebruiken maximaal energie die 100% hernieuwbaar is en geven alle kansen aan innovatie op vlak van energieproductie, opslag en flexibiliteit van ons energiesysteem. Dat vergt ook nieuwe visies op milieu, mobiliteit, wonen, ruimtelijke ordening en landbouw. Daarbij kiezen we voor haalbare en concrete maatregelen die we de komende vijf jaar kunnen nemen. Maatregelen die een echt verschil zullen maken. Maatregelen die goed zijn voor de portefeuille van de mensen én voor het klimaat. Zo nemen we iedereen mee: burgers, bedrijven en overheden.

Klimaat & Energie

De opwarming van de aarde is misschien wel de grootste wereldwijde uitdaging ooit. Maar dat hoeft geen reden tot paniek te zijn. De mensheid heeft de voorbije eeuwen al eerder enorme uitdagingen overwonnen. Bij elke crisis zorgde onze menselijke vindingrijkheid voor de uitweg. Voor de strijd tegen klimaatverandering zal dat niet anders zijn. Investeringen in onderzoek, ontwikkeling en menselijk kapitaal moeten ons nieuwe oplossingen aanreiken. De echte uitdaging is: Hoe maakt Vlaanderen van de klimaatuitdaging een klimaatvoordeel? Hoe zorgen we ervoor dat we een leider en geen volger zijn in de klimaat- en energietransitie?

De opwarming van de aarde is een wereldwijd fenomeen en moet dus op globale schaal aangepakt worden. Vlaanderen en België moeten zich voor de volle honderd procent inschrijven in de doelstelling van het Akkoord van Parijs en de Europese ambitie om vanaf 2050 klimaatneutraal te zijn. Dit zal grote inspanningen vergen in alle mogelijke sectoren: gebouwen, transport, industrie, landbouw, enzovoort.

De afgelopen legislatuur hebben we al verschillende maatregelen genomen die bijdragen aan de strijd tegen klimaatverandering. We hebben de markt van zonnepanelen opnieuw volledig doen heropleven, de registratie- rechten bij aankoop van een woning werden extra verlaagd voor mensen die grote energetische verbouwingen  doen aan hun woning, de verkeersfiscaliteit werd vergroend, er kwamen talrijke steunmaatregelen voor mensen die duurzame investeringen doen in hun woning, grote windmolenparken werden vergund,…

Bovendien hebben we de oversubsidiëring van zonnepanelen in het verleden aangepakt. Nu behoeven installa- ties bij particulieren geen subsidies meer. Door het schrappen van steun aan twee grootschalige biomassacen- trales en de steun aan windmolenparken op zee sterk te verlagen, hebben we onder liberale vlag zowat 9 miljard euro subsidies vermeden. We werkten bovendien een kader uit waarbij toekomstige windmolenparken op zee kunnen gebouwd worden zonder één euro subsidie. Innovatieve projecten ondersteunden we met investerings- steun: drijvende zonnepanelen, batterijprojecten, kleine en middelgrote windmolens, maar ook projecten rond groene warmte.

We willen de strijd tegen de klimaatverandering ambitieus aanpakken, met realistische en betaalbare doelstel- lingen. We moeten ervoor zorgen dat iedereen mee de omslag kan maken, zowel de groene betogers als de gele hesjes. In ons verhaal doet en moet iedereen mee. De klimaatuitdaging en energietransitie gaan ook hand in hand met economische opportuniteiten.

We gaan resoluut voor hernieuwbare energie

De energiemix van de toekomst zal gedomineerd worden door energie uit hernieuwbare bronnen. De prijzen voor onder andere windmolens en zonnepanelen zijn al sterk gedaald en dat zal zich enkel doorzetten. De technologie is volwassen en de business case in meer en meer gevallen rendabel. Daardoor kan ook de steun voor deze tech- nologieën verder afgebouwd worden. Particulieren die in zonnepanelen investeren zien hun investering vandaag al op acht jaar terug betaald, zonder één euro subsidie. Nadien kan je nog vele jaren een lage energieprijs genieten. We gaan verder op de ingeslagen weg en willen het potentieel van hernieuwbare energie in ons land maximaal benutten. In Vlaanderen alleen is er een potentieel van 57 GW aan zonnedaken. Vandaag is er ongeveer 2,8 GW aan capaciteit geïnstalleerd. Het geïnstalleerde vermogen per inwoner is in Vlaanderen het hoogste van Europa, na Duitsland. Maar het kan dus nog een stuk beter!

We geven daarom als overheid het goede voorbeeld en vragen aan lokale overheden om geschikte daken van openbare gebouwen vrij te  geven voor zonnedelen. Zo creëren we een boost in de productie van zonne-energie  en krijgen geïnteresseerde burgers een mooi rendement op hun investering. Ook ondernemingen met geschikte daken die zelf niet wensen te investeren moedigen we aan om hun daken ter beschikking te stellen. Bij de bouw van windmolens streven we eveneens naar maximale burgerparticipatie.

Naast zon is wind de belangrijkste hernieuwbare energiebron voor België. De Noordzee is ons blauwe goud. Onze Noordzee mag dan geen olie of gas herbergen, ze is een enorme, windrijke oppervlakte die van onschatbare energetische waarde kan zijn. Vanaf 2026 zullen we al een capaciteit van 4 GW aan windenergie geïnstalleerd hebben. Dat komt overeen met de capaciteit van 4 grote kerncentrales. We onderzoeken de mogelijkheden om volle zee te gebruiken om hernieuwbare energie te produceren en versterken de internationale samenwerking op en rond de Noordzee met de uitbouw van een ‘Northsea Grid’ dat windmolenparken verbindt en rendementen optimaliseert.

We moeten blijven investeren in deze piste en ervoor zorgen dat parallel met de opwekking van windenergie de opslagmogelijkheden meegroeien, zodat we op momenten van overproductie de energie kunnen opslaan en ge- bruiken wanneer er weinig zon en/of wind is. Dat kan door middel van grote batterijen en centrales die de energie kunnen omzetten in bijvoorbeeld waterstof. Dit is trouwens ook een essentiële bouwsteen voor het verder uitbou- wen van het decentrale energie-netwerk.

Dankzij een sterke interconnectie met onze buurlanden verzekeren we onze bevoorradingszekerheid en wordt energie vlot getransporteerd van regio’s waar op een bepaald moment een overschot is, naar andere regio’s waar op datzelfde moment een tekort is. Door op zulke grote schaal samen te werken is het ook mogelijk om deze her- nieuwbare energie efficiënter en aan de laagst mogelijke prijs te ontwikkelen. De afgelopen jaren heeft België al fors geïnvesteerd in meer connectie met de buurlanden. We zijn nu al één van de meest geconnecteerde landen van Europa en de komende jaren liggen er nog enkele mooie plannen in het vooruitzicht.

Om volop op hernieuwbare energie te kunnen inzetten hebben we nood aan flexibele productie die de hernieuw- bare productie kan aanvullen wanneer nodig. De huidige kerncentrales passen niet in dat model en hebben de afgelopen jaren hun onbetrouwbaarheid bewezen. In 2017 was de nucleaire productie nog verantwoordelijk voor 49,9% van onze elektriciteitsproductie. In 2018 was dit al gedaald naar 34%. De nucleaire productie bleek hierbij erg onbetrouwbaar: van halfweg oktober tot halfweg november was er slechts 1 van de 7 centrales operationeel, Doel

  1. Tijdens die oktobermaand had nucleaire energie nog slechts een aandeel van 15% in onze energieproductie. We blijven uiteraard wel onderzoek doen naar nieuwe nucleaire technologie, zodat we ook hier circulariteit kun- nen nastreven en bijvoorbeeld in de toekomst kernafval zouden kunnen recycleren. Ook onderzoek voor medische doeleinden en nieuwe vormen van kernenergie zoals kernfusie blijven we ondersteunen.

We zetten in op klimaatinnovatie

We creëren een Vlaams klimaatinnovatiefonds dat zich specifiek toelegt op nieuwe technologie en proefprojecten in kader van nieuwe energievormen, carbon capture & utilisation, recyclage en nieuwe grondstoffen. Ook funda- menteel onderzoek binnen die domeinen komt in aanmerking. Zo maken we nieuwe technologie versneld volwas- sen en versterken we de innovatiecluster rond hernieuwbare energie die vandaag reeds aanwezig is. Vlaanderen is een kenniseconomie, door sterk in te zetten op innovatie creëren we jobs en lossen we problemen op. Niet enkel onze eigen problemen, maar ook die van andere landen. Zo kunnen onze oplossingen wereldwijd bijdragen aan de strijd tegen de opwarming van de aarde en voor duurzaamheid. En, onze economie vaart er wel bij. We werken hiervoor samen met private investeerders. Vlaanderen voorziet minstens 100 miljoen in het fonds en tegen elke euro die Vlaanderen investeert staat minstens een euro van private investeerders. Als de investering rendeert, dan vloeit het geld terug naar het fonds. Buitenlandse voorbeelden tonen bovendien dat er tegenover één euro geïnves- teerd door de overheid, al snel vijf euro privaat kapitaal staat. Van een boost gesproken!

We verlagen het btw-tarief op sloop en heropbouw van 21% naar 6%

Tegen 2050 moeten onze woningen gemiddeld genomen klimaatneutraal zijn. Dit betekent dat ze energiezuiniger moeten worden en de energie die ze nog nodig hebben moeten ze zelf opwekken. Energie die je niet gebruikt of zelf opwekt, is bovendien energie die je niet betaalt! We moeten de mensen aanmoedigen om volop in te zetten op energiezuinige investeringen. Ons woningpark is immers erg verouderd. Ongeveer de helft van de gebouwen in Vlaanderen werden vóór 1970 gebouwd. Om onze woningen tegen 2050 klimaatneutraal te maken, moeten we naar een renovatieritme van drie procent per jaar gaan (vandaag is dat nauwelijks 1%) en dit voor de komende 20 jaar. Een ambitieus doel, maar één met potentieel een enorme impact. Want de gebouwen in Vlaanderen zijn goed voor niet minder dan 14 megaton CO2-uitstoot per jaar oftewel 30 procent van de totale Vlaamse broeikas- gas-uitstoot (niet-ETS). De residentiële gebouwen nemen drie kwart van de gebouwen-uitstoot voor hun rekening. Daar valt dus de meeste milieu- en energiewinst te boeken. We moeten dus ambitieus zijn en een versnelling hoger schakelen.

We willen de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% voor afbraak en heropbouw van gebouwen uitbrei- den tot het gehele grondgebied. Voor projectontwikkelaars die dergelijke gebouwen binnen het jaar verkopen aan natuurlijke personen is bovendien de levering van deze gebouwen onderworpen aan het verlaagd btw-tarief van 6%.

Het bedrag van het hypotheekrecht (het Vlaamse registratierecht van 1% geheven op het bedrag waarvoor de hypothecaire inschrijving wordt genomen) wordt bij energie-geïnspireerde leningen volledig kwijtgescholden.

Een gelijk speelveld

De uitstoot van onze industrie is al fel gedaald, maar we moeten er voor zorgen dat de inspanningen van onze Europese bedrijven niet teniet gedaan wordt door de uitstoot buiten Europa. Per ton staal die in een Belgische fabriek geproduceerd wordt, wordt er 30% minder CO2 uitgestoten dan in een niet-Europese fabriek. Het wordt evenwel pervers als dat betekent dat hun productiekost stijgt en we binnen Europa daardoor goedkopere, maar minder duurzaam, geproduceerde alternatieven invoeren. Zo daalt onze CO2-uitstoot wel voor de eigen produc- tie, maar stijgt ze op wereldniveau. We pleiten daarom voor een CO2-vignet op Europees niveau dat bedrijven die hun producten minder duurzaam produceren moeten betalen vooraleer ze hun producten kunnen invoeren in Europa.

Door voor een gelijk speelveld te zorgen, zetten we onze marktmacht als Europa in om duurzaamheid en CO2-re- ductie op wereldniveau af te dwingen. Initieel kijken we best naar grote vervuilers waarvan het aandeel CO2 in de productie eenvoudig berekend kan worden, zoals de staal-, aluminium- en cementindustrie.

Het elektriciteitsnetwerk van de toekomst stelt de consument centraal

Opdat we minder uitstoten, minder energie verbruiken en meer hernieuwbare energie opwekken, moeten we ons energiesysteem radicaal veranderen. Het sleutelwoord hier is decentralisatie. Via slimme netwerken krijgt iedereen de kans om zelf energie te produceren en terug op de markt te zetten. De eerste digitale meters die van elke con- sument ook producent maken, komen in 2019 op de markt. We evolueren de komende jaren zo naar een écht de- centraal energiesysteem waar bij de opgewekte energie op een slimmere manier verbruikt en opgeslagen wordt. De energienoden en -mogelijkheden moeten per buurt of per regio in kaart gebracht worden. Kleine water- stofcentrales, maar even goed een kleine windmolen of verschillende zonnepanelen-installaties (aangevuld met opslagmogelijkheden) kunnen een hele buurt van hernieuwbare energie voorzien. Door kleine netwerken op maat (lokale energiegemeenschappen) onderling met elkaar te verbinden garanderen we bevoorradingszekerheid. Te- gelijk kunnen micro-netwerken in industrieterreinen restwarmte afgeven aan naburige bedrijven, openbare ge- bouwen of wijken.

Merksplas geeft het goede voorbeeld. De gemeente maakt al sinds 2002 van hernieuwbare elektriciteit haar visitekaartje. De groene stroom van zonnepanelen en warmtekrachtkoppeling is voor een deel afkomstig van landbouwbedrijven uit de buurt. Wat kan in Merksplas moet ook in de rest van Vlaanderen kunnen. Het afval en de restwarmte van landbouwbedrijven wordt de energie van gezinnen en bedrijven. We leggen niet alleen de focus op groene stroom, maar geven aandacht aan groene warmte. Bij individuele installaties, stimuleren we verder het gebruik van warmtepompen en warmtepompboilers. In de toekomst kan aardgas vervangen worden door zogenaamd groen gas (biomethaan) of waterstof. Voorts geven we verder alle kansen aan warmtenetten en de mogelijkheden van diepe geothermie om deze te voeden.

Een circulaire economie

Het beste afval is afval dat niet bestaat. We gaan voor slim en efficiënt materiaalgebruik, waarbij we ernaar streven om alle gebruikte materialen in een bepaald product te hergebruiken in een ander. Producten moeten zo ontworpen worden, dat ze later makkelijker gerecycleerd kunnen worden.

Op die manier wordt het afval van het ene product een grondstof voor het volgende. We moeten ons in België baseren op onderzoeken en best practices om tot een systeem te komen waarbij producenten aangezet worden om hun producten maximaal herbruikbaar en recycleerbaar te maken en consumenten aangemoedigd worden als ze duurzame producten kopen, bijvoorbeeld door die producten lager te belasten.

We denken op lange termijn. De prijs is niet langer de doorslaggevende factor bij aanbestedingen door de over- heid. We laten het duurzaamheidsaspect zwaarder doorwegen en integreren milieu-, sociale- en economische criteria in alle fases van een overheidsopdracht.

Een netto-elektriciteitsfactuur

De energie-omslag zal rendabel zijn of helemaal niet zijn. Belangrijk in dit opzicht is dat we alle kosten die niet met energie te maken hebben uit de elektriciteitsfactuur van mensen halen. Meer dan een derde van de elektriciteits- factuur gaat namelijk naar de distributienettarieven. Die dekken niet enkel de exploitatiekosten om elektriciteit tot bij de consument te brengen, maar ook de kosten die gepaard gaan met de invulling van de zogeheten ‘openba- re dienstverplichtingen’. We verlagen de energiefactuur door de verdoken belastingen eruit te halen.

Een transparante klimaatbegroting

We hebben ook nood aan één klimaatbegroting die transparant alle opbrengsten en kosten van onze kli- maatinspanning in kaart brengt. Geen verborgen belastingen waarvan het onduidelijk is hoe ze exact bijdragen tot het tegengaan en opvangen van de klimaatverandering. Wel absolute duidelijkheid of en hoe elke klimaatinspan- ning zichzelf terugverdient. De klimaatverandering is een opportuniteit om onze mobiliteit en energieproductie om te gooien en mag geen nieuwe kostenpost voor de Vlaming worden.

Leefmilieu & Natuur

De klimaatverandering heeft een grote impact op burgers en bedrijven, maar ook onze leefomgeving ondervindt de veranderingen aan den lijve. Zo hebben we de afgelopen jaren te maken gekregen met extreme weersom- standigheden, met wateroverlast of droogte tot gevolg. Dit zal in de toekomst nog meer voorvallen. Het is daarom belangrijk om rekening te houden met die impact en ons hiertegen te beschermen.

De luchtkwaliteit is de laatste jaren gestagneerd, de waterkwaliteit van de meeste waterlopen in Vlaanderen is ondermaats. We verbeteren de luchtkwaliteit door in te zetten op groener en meer collectief vervoer. Voor huis- houdelijke verwarming stimuleren we milieuvriendelijke alternatieven. We streven er naar de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie te bereiken en geven ook voldoende aandacht aan de kwaliteit van de bin- nenlucht, gezien we gemiddeld 85% van onze tijd in een gesloten omgeving doorbrengen.

We verbeteren de kwaliteit van onze waterlopen en zorgen voor een groenblauwe dooradering in zowel steden als dorpen. Zo willen we in steden het hitte-eiland effect tegengaan. We verbinden de natuur in het buitengebied met groenzones en parken in de stad. We zetten een versnelling hoger op het gebied van stads(rand)bossen en zorgen voor meer toegankelijke natuur, onder meer voor vrijetijdsbesteding, steeds met respect voor die natuur. Zo willen we ervoor zorgen dat iedere Vlaming op korte afstand van een groenzone woont. Dit is niet alleen goed voor de natuur, maar ook voor onze gezondheid. Wetlands, bossen en graslanden dragen bij aan het tegengaan van de klimaatverandering door de koolstof die ze kunnen opnemen. Via de gepaste maatregelen willen wij deze natuurlijk afvangers van CO2 een meer centrale plaats geven in het natuurbeleid.

Voor de meest kwetsbare waardevolle bossen gaan we op zoek naar instrumenten die historisch waardevolle bossen (bv. omdat ze bijdragen tot de realisatie van onze Europese instandhoudingsdoelstellingen) kunnen be- houden. We garanderen daarbij het eigendomsrecht en we zorgen voor een correcte vergoeding, bijvoorbeeld via een planschadevergoeding op basis van 100 % venale waarde (zonder uitsluitingsgronden).

Water is een prioritaire levensader, maar wordt schaarser. Door het gebruik van zowel mens, bedrijf, plant en dier ontstaat er een toenemend spanningsveld tussen de noden van onze maatschappij en de natuurlijke veerkracht van ons watersysteem. Dit spanningsveld uit zich in problemen op het niveau van waterschaarste, wateroverlast en waterkwaliteit. We moedigen spaarzaam omgaan met water en hergebruik aan. We stimuleren dat er zoveel mogelijk water op eigen terrein wordt geïnfiltreerd en gerecupereerd. We voeren de digitale watermeter in gans Vlaanderen in ter preventie van waterarmoede en om duurzaam waterverbruik te stimuleren. Om kosten te be- sparen rollen we die zoveel als mogelijk samen uit met de digitale elektriciteitsmeter. Zo stemmen we verschillende nutstoepassingen op elkaar af en creëren we schaalvoordelen.

We blijven verder investeren in de (natuurlijke) buffering van water, onder andere door de inrichting van overstro- mingsgebieden. Daarvoor gebruiken we onder andere de signaalgebieden die we omzetten naar watergevoe- lige openruimtegebieden. Opnieuw houden we maximaal rekening met het eigendomsrecht en voorzien we een correcte vergoeding. We zoeken in de eerste plaats naar partnerschappen met privé-eigenaars die vrijwillig mee participeren aan het realiseren van de doelstellingen.

Ondanks de vele investeringen in riolering en waterkwaliteit blijven de uitdagingen groot. We kijken of en op welke manier we middelen efficiënter kunnen inzetten. Het nieuwe mestactieplan zet de gebiedsgerichte aanpak nog meer door en zet in op betere begeleiding van de landbouwers bij het mestbeheer. Het is ook in het belang van de landbouwers dat de objectieven van het nieuwe mestactieplan (MAP) 6 worden gehaald. Daarom zetten we in op periodieke evaluaties en een strikte handhaving. Wie de regels negeert of bewust overtreedt hypothekeert de toekomst van de welwillende en goedmenende boeren. Tegen deze zogenaamde spelbrekers treden we kracht- dadig op. Binnen het nieuwe plan zetten we in op een aanpak op maat, waarbij diegenen die het goed doen beloond worden. Het is ondertussen ook duidelijk dat onder andere het gebruik van te veel kunstmest mede aan de basis ligt van de problemen. In MAP6 wordt gefocust op het oordeelkundig gebruik van kunstmest en wordt een monitoring op het gebruik voorzien. Noord-Franse en Waalse landbouwers zijn vragende partij voor Vlaamse mest. We pleiten er bij Europa voor dat onbewerkte mest eenvoudiger van Vlaanderen naar Wallonië en over de grens kan.

We willen zoveel mogelijk afval en zwerfvuil op straten, in de natuur en oceanen vermijden. Zwerfvuil ergert niet alleen een groot deel van de bevolking, het is ook slecht voor het milieu. We stappen af van het idee dat produc- ten maar één keer gebruikt kunnen worden. We zetten in op hergebruik en recyclage tot nuttige toepassingen. We moeten meer producten gaan inzamelen en die producten moeten maximaal recycleerbaar worden.

Producenten dragen hierbij ook verantwoordelijkheid. Zij hebben ook baat bij hoogwaardige recyclage en zijn   ook deels verantwoordelijk als hun producten in het zwerfvuil belanden. Consumenten moeten gesensibiliseerd worden. Samen met verschillende sectoren, bijv. tabaksproducenten, proberen wij hier het hoofd aan te bieden.

Met de Vlaamse regering hebben we ambitieuze afspraken gemaakt met de sector om het probleem van zwerf- vuil aan te pakken. Indien deze doelstellingen in 2023 niet gehaald worden, voeren we het statiegeld op blikjes en plastic flesjes in. Dat moet wel in samenspraak met de andere regio’s binnen België gebeuren, zodat er één systeem is voor gans het land.

Mobiliteit

De overheid investeert jaarlijks miljarden in het openbaar vervoer. Toch rijden bussen en treinen niet stipt. De we- gen slibben dicht. Op sommige stukken van de Antwerpse en Brusselse ring loopt het verkeer tot wel 15 uur per dag erg moeizaam. Het volstaat niet langer om te zeggen dat files moeten worden weggewerkt door in te zetten op openbaar vervoer of door extra wegcapaciteit te voorzien. Dat is een al te makkelijk cliché omdat ons collectief vervoer nog te veel georganiseerd is op principes uit de 20e eeuw. Het is weinig flexibel en speelt nauwelijks in op de vraag. In combinatie met andere vervoersmodi is het collectief vervoer nochtans een essentiële factor in de mobiliteit van de toekomst. Maar het moet wel makkelijk, betrouwbaar en efficiënt zijn. We moeten de zaak volle- dig herdenken. Niet vertrekken vanuit structuren maar vanuit mensen. Hoe raakt elke Vlaming zo snel mogelijk op haar of zijn bestemming en liefst zonder uitstoot?

Met het collectief vervoer raak je wél op je bestemming

We grijpen de nakende liberalisering van het openbaar vervoer aan om meer kwaliteit te leveren voor de vele middelen die we investeren. Private spelers krijgen de kans om via aanbestedingen (een deel van) het aanbod op zich te nemen. In Nederland hebben de regionale OV-concessies geleid tot een kwaliteitssprong. Spoorlijnen die de NS – de Nederlands Spoorwegen – te duur vond om te exploiteren, bleken plots toch bijzonder rendabel te kunnen zijn. Kwaliteitsvol materieel en een klantgericht aanbod zorgden voor een enorme reizigersgroei.

Om van collectief vervoer een aantrekkelijk alternatief te maken, zorgen we voor zo min mogelijk overstappen en een zo laag mogelijke overstaptijd. Op het kernnet rijden er 24/24 treinen en bussen.

We creëren grote hubs waartussen minstens elk kwartier een trein rijdt. De hubs bestaan uit de centrumsteden en overstapknooppunten van het spoor. De trein functioneert daar als een metro. Tussen 01u en 05u blijft er minstens 1 trein per uur rijden. De kleinere stations worden afhankelijk van hun ligging ingeschakeld als ‘aanvoerlijn’ richting de grote hubs of als traject binnen een voorstadnet.

Vlaanderen tekent een kernnet uit dat door bus- en tramverbindingen wordt verbonden. Een kernnet moet zich beperken tot de essentie en het spoornet aanvullen. Denk aan verbindingen tussen grote steden waar nu geen trein rijdt of belangrijke zones waar veel mensen in ploegenarbeid werken (zoals de luchthaven). Op het kernnet rijden geen bussen die elke halte of dorp aandoen, maar wel zeer gericht snelle verbindingen garanderen tussen belangrijke knooppunten. Het aanbod blijft ’s nachts doorlopen en is afgestemd op de treinen. Vlaanderen be- paalt welke verbindingen er nodig zijn. Via een aanbesteding worden deze opengesteld. Dit kan in één stuk, maar kan ook opgesplitst worden. Voor stukken die niemand wil bedienen moet de overheid nagaan wat het beste alternatief is.

De vervoerregio’s tekenen tot slot een aanvullend net uit. Dit wordt door middel van een aanbesteding op de markt gebracht.

Voor scholieren en studenten wordt het openbaar vervoer fors goedkoper.

Buiten de congestiezones bouwen we randparkings waar je gratis kan parkeren en vlot kan overstappen op de trein, tram, bus of fiets naar de stadscentra.

Uiteraard is de beste mobiliteit nog altijd die mobiliteit die niet hoeft plaats te vinden. Door mensen de vrijheid te geven hun tijd zelf in te richten, moet niet iedereen hetzelfde moment de weg op. Thuiswerk, flexibele schooltijden en co-workingstations kunnen allemaal een zetje in die richting geven.

We kanten ons resoluut tegen een algemeen systeem van rekeningrijden, dat neerkomt op een algemene belas- tingverhoging. We staan open voor een tol op filegevoelige plaatsen en momenten zoals de Brusselse en Antwerpse ring in de spits. We passen evenwel voor een gebiedsdekkende heffing voor elke gereden kilometer, die dan ook nog eens verschilt van het systeem in Brussel en Wallonië. De voorgestelde tarieven van het zogenaamde rekeningrijden zal voor velen die niet zonder hun auto kunnen een belastingverhoging betekenen, maar is volgens experts veel te laag om een echt effect te hebben op de mobiliteit. Dus dan is dit geen slimme maatregel die mensen aanmoedigt om voor alternatieven te kiezen.

Sharing is caring

Van stations, dorps- en stadskern maken we knooppunten van deelmobiliteit. Hiermee kan de ‘last mile’ overbrugd worden. In zo’n knooppunt vind je afhankelijk van de locatie deelwagens, (elektrische) deelfietsen, steps en ook taxi’s. Uber’s kunnen hun rol opnemen. Ook carpoolen heeft hier een rol. Uit een studie van Transport & Mobility Leuven (2011) bleek dat op het traject Leuven-Brussel de file met 40% daalde als er 10% minder ‘autosolisten’ wa- ren. Als dat opgetrokken werd naar 25% dan verdween de file zelfs. De laatste schakel is een vlotte, digitale, ver- binding tussen al deze mogelijkheden: ‘Mobility as a service’. Eén applicatie die je zegt hoe je het snelst van A naar B geraakt en waarin je meteen een ticket kan kopen. Dit kan een stuk met een deelwagen zijn en een stuk met de trein. Of een stuk met een deelwagen en een deelfiets. Of elke combinatie die je kan bedenken. In zo’n applicatie kunnen we kortingstarieven vastleggen voor mensen die het moeilijk hebben en we kunnen een connectie maken met het mobiliteitsbudget dat we net invoerden.

Om de deelmobiliteit (fietsen, wagens…) een duw in de rug te geven verlagen we de btw algemeen naar 6%. We reserveren aan stations ook gratis parkings voor deelwagens.

De wagen van de toekomst is uitstootvrij

De vergroening van ons wagenpark is een andere belangrijke doelstelling voor ons klimaat en onze luchtkwaliteit. Vandaag zijn er amper 10.000 elektrische wagens tegenover 770.000 bedrijfswagens. Het goede nieuws is dat we dus een enorm potentieel voor vergroening nog niet benut hebben. Ten laatste tegen 2028 moeten bedrijfswa- gens uitstootvrij zijn. Zo goed als alle bedrijfswagens komen daarna in het tweedehands-circuit terecht waardoor ook het private wagenpark in ons land snel kan verduurzamen. De overheid moet opnieuw het goede voorbeeld geven door vanaf 2021 enkel nog zero-emissie bussen aan te kopen en vanaf 2025 enkel nog personenwagens zonder uitstoot in haar wagenpark op te nemen.

Dat betekent dat we ook de laadmogelijkheden versneld moeten uitbouwen in onze steden en langs onze we- gen. Elektriciteit en waterstof zijn de nieuwe benzine en diesel van tankstations. Bij toekenning van concessies aan tankstations worden elektrische laders een absolute voorwaarde. We zitten samen met de sector om ook binnen de bestaande concessies tegen 2025 overal snelladers te voorzien. Op elke publieke parking moeten er minstens twee laadpalen per, ongeveer 30 parkeerplaatsen komen te staan.

Data is het nieuwe asfalt

Maar zelfs met een CO2-neutrale auto raak je niet ver als je stil staat in het verkeer. Op korte termijn moeten we daarom de kritieke punten in onze infrastructuur aanpakken. De noodzakelijke werken aan de Antwerpse ring zijn daar één voorbeeld van. De beschikbare infrastructuur moet ook efficiënter worden ingezet. De helft van de vrachtwagens rijdt volledig of gedeeltelijk leeg. De meeste auto’s vervoeren naast de bestuurder enkel lucht. Data is daarbij het nieuwe asfalt. Door efficiënter met ons wegennet om te gaan door middel van slimme verkeerssig- nalisatie en door het ‘vermarkten’ van de beschikbare ruimte in de (vracht)wagen kunnen we al veel bijkomende capaciteit creëren voor de dagdagelijkse weggebruiker.

Door laad- en lospunten voor grote vrachtwagens in congestie-vrije zones buiten de stad in te richten kunnen we het Vlaamse wegennet verder ontlasten. Hierdoor gebeuren leveringen aan huis of bij de kleinhandel met bestel-

wagens of kleinere vrachtwagens. We stimuleren goederenvervoer over het water en per spoor. Deze alternatie- ven kunnen de rol van de vrachtwagen in en rond onze havens en steden overnemen.

Vlaanderen fietsland

Vlamingen zijn gek van de fiets, en niet alleen tijdens de koers. Bijna 1 op 3 Vlamingen fietst dagelijks naar school, het werk of gewoon voor het plezier. Zeker voor korte verplaatsingen is de fiets vaak het snelste alternatief. Met de toenemende populariteit van elektrische fietsen en speed pedelecs komen ook langere afstanden binnen het bereik van de fietsende Vlaming. Dat de fiets een belangrijk aandeel heeft in het oplossen van het mobiliteitspro- bleem is een evidentie, maar de infrastructuur is vandaag nog onvoldoende aangepast.

Amper de helft van de Vlamingen vindt het veilig fietsen in eigen buurt. In 2018 lieten 37 fietsers het leven op Vlaamse wegen, meer dan 8000 raakten gewond door een ongeval. Investeren in kwaliteitsvolle infrastructuur is dan ook noodzakelijk om de fietsveiligheid te verhogen. Veel bestaande fietspaden zijn immers te smal voor het vele fietsverkeer aan verschillende snelheden en moeten dan ook verbreed en verbeterd worden. Het fietssnelwe- gennetwerk vertoont nog veel missing links en soms moeten fietsers de weg delen met doorgaand autoverkeer    aan hoge snelheden. Om de nodige kwaliteitssprong te maken en het fietssnelwegnetwerk versneld af te werken, willen we het budget aan fietsinvesteringen dan ook verdubbelen.

Fiets en trein zijn een ijzersterke combinatie. De trein voor lange afstanden en de fiets voor de eerste en laatste kilometers. 22% van de treinreizigers komt met de fiets naar het station, in Nederland is dat maar liefst 47%. Door in te zetten op voldoende veilige en kwaliteitsvolle fietsenstallingen aan stations en knooppunten van deelmobiliteit willen we deze achterstand op onze noorderburen inhalen. Slechts 6% gebruikt de fiets om van de trein tot op zijn/ haar bestemming te geraken. Hier ligt nog een enorm groeipotentieel.

We willen dan ook dat alle treinstations en knooppunten van deelmobiliteit uitgerust worden met fietsdeelsyste- men, die ook interoperabel zijn. We verlagen het btw-tarief voor alle deelfietssystemen naar 6%.

Veilig op weg

Tot slot is verkeersveiligheid van cruciaal belang, in de eerste plaats voor de zwakke weggebruikers, net zoals het aanpakken van vervoersarmoede. Dat zijn en blijven belangrijke uitdagingen waarvoor nieuwe technologieën     een deel van de oplossing kunnen aanreiken. Zelfrijdende wagens, intelligente snelheidsadaptie, detectiesyste-  men, het zijn allemaal bouwstenen voor een betere verkeersveiligheid. Veilige infrastructuur en verantwoord ver- keersgedrag zijn evenwel fundamenteel. De pakkans voor overtredingen die anderen in gevaar brengen (alcohol, gsm-gebruik, …) moet dan ook omhoog. Wie zijn verantwoordelijkheid niet opneemt achter het stuur, heeft geen plaats in het verkeer. Dat geldt ook voor fietsers en voetgangers. Als overheid moeten we ook onze verantwoor- delijkheid opnemen. De weginfrastructuur moet zo aangelegd worden dat conflicten tussen weggebruikers maxi- maal worden vermeden. We moeten dus investeren in integraal veilige fietsroutes en het versneld wegwerken van de ‘zwarte punten’ in Vlaanderen.

Ruimtelijke ordening

Het gebruik van onze beschikbare ruimte speelt een cruciale rol in het woon- en klimaatbeleid. Omdat de ruimte beperkt is in Vlaanderen, willen we die zo optimaal mogelijk benutten. De klassieke reflex de voorbije decennia was dan om die ruimte zoveel als mogelijk te gaan reguleren. Die te rigide regeltjes zorgen ervoor dat wanneer we vandaag een antwoord willen bieden op nieuwe maatschappelijke uitdagingen, in het bijzonder op vlak van nieu- we woonvormen, energie, mobiliteit en klimaat, er telkens een nieuwe regel moet worden uitgevonden om dingen

mogelijk te maken. Regel op regel. En finaal eindigen we in zo’n kluwen dat niemand eigenlijk nog goed weet wat kan en wat niet kan en dat projecten met de beste bedoelingen vastlopen op de regelmuur.

Zo heeft het jaren geduurd vooraleer er een regelgeving was die het mogelijk maakte om een (tijdelijke) woon- container in je tuin te plaatsen zodat een zorgbehoevende ouder dicht bij jou kan wonen. En het blijft moeilijk. Hetzelfde verhaal wanneer je een bestaande woning die te groot is wil opsplitsen in twee aparte woningen.

We moeten in woongebieden streven naar meer flexibiliteit. Op deze manier stimuleren en faciliteren we als over- heid de gewenste transitie binnen woongebied en kunnen we focussen op de verhoging van de kwaliteit van de publieke ruimte. Zo verwezenlijkt Open Vld de bouwshift op een maatschappelijke dynamische manier, met de burger als motor van de verandering, én met een voldoende groot draagvlak zonder een financieel bloedbad.

Tegenover de woongebieden staan de onbebouwde gebieden (agrarisch gebied, natuurgebied, bosgebied,…), die moeten uitblinken in biodiversiteit, waterbeheer, groenwaarden, recreatie en het opvangen van de klimaatver- andering. Zonevreemde woningen die in onbebouwde gebieden liggen bieden we rechtszekerheid. De bestaande regelgeving wordt daar niet aangepast.

In elk geval zullen onze woningen van de toekomst ‘slim’ en multifunctioneel zijn. Het zijn plaatsen waar we wo- nen maar evengoed onze eigen energie produceren. Appartementen boven een supermarkt of een crèche zijn vandaag nog de uitzondering maar moeten de regel worden. Of een groene tuin bovenop het dak van een su- permarkt. We moeten ook vooruit denken. Als we vandaag investeren in bovengrondse parkings en we weten dat er in de toekomst meer en meer mensen zonder eigen wagen zullen zijn, dan moeten we er voor zorgen dat de constructie voorzien is om omgebouwd te worden tot appartementen of winkels, bijvoorbeeld door voldoende hoogte tussen de verschillende verdiepen te voorzien. Zo vermijden we dat we telkens opnieuw investeren in ba- sisinfrastructuur, die op een bepaald moment niet langer nuttig is en dan volledig afgebroken moet worden om er iets anders te bouwen.

Op deze manier stimuleren en faciliteren we als overheid de gewenste transitie binnen woongebied en kunnen we focussen op de verhoging van de kwaliteit van de publieke ruimte.

Landbouw innoveert

Omdat Vlaanderen een dichtbevolkte, verstedelijkte regio is, heeft onze landbouw zich ontwikkeld tot een hoog- gespecialiseerde, intensieve sector. In het dichtbevolkte Vlaanderen ligt de plaats waar gewassen geteeld worden en de plaats waar ze verkocht worden erg dicht bij elkaar. Toch blijft de afstand tussen producent en consument groot. Door in te zetten op het korteketen model en innovatieve concepten zoals stadslandbouw kunnen we land- bouwers en consumenten dichter bij elkaar brengen. We waken erover dat landbouwers een eerlijke prijs krijgen voor hun producten, binnen het ketenoverleg moet elke actor zijn verantwoordelijkheid opnemen om een correcte verdeling van de winstmarges te bekomen.

De technologische mogelijkheden evolueren razendsnel. We moeten koploper blijven. Technologie zoals ‘CRISPR’ stelt ons in staat om op minder oppervlakte meer opbrengst te genereren of om gewassen immuun te maken voor bepaalde ziektes, waardoor minder pesticiden nodig zijn. Met het Vlaams Instituut voor Biotechnologie hebben   we de kennis in huis. We moeten die ook in de praktijk omzetten, uiteraard binnen de strenge Europese voedsel- veiligheidsnormen.

Landbouwbedrijven kenmerken zich meestal door hun uitgestrekte oppervlakte en grote loodsen en stallen. We willen landbouwbedrijven meer en meer laten voorzien in hun eigen energiebehoefte. Kleine biomassacentrales, zonnepanelen, kleine of middelgrote windturbines… De mogelijkheden zijn er en de investeringen zijn rendabel. Op veel landbouwbedrijven liggen er nog daken in asbestplaten, wat een drempel betekent om zonnepanelen te installeren. We voorzien daarom een renteloze lening aan landbouwers die hun asbestdaken vervangen om er zonnedaken van te maken.

Europa moet voor een gelijk speelveld zorgen. Strenge normen voor onze bedrijven op het vlak van dierenwelzijn, duurzaamheid,… moeten ook bij derde landen afgedwongen worden bij het afsluiten van internationale handel- sakkoorden.

Net zoals andere ondernemers hebben ook landbouwers last van de regelneverij die Vlaanderen kenmerkt. We moeten die verder beperken. Jonge mensen moeten aangemoedigd worden om landbouwer te worden. Vrouwen spelen vandaag al een zeer belangrijke rol in de sector, maar doen dat te veel in de schaduw terwijl ze ook perfect zelf een eigen bedrijf kunnen oprichten of volwaardig aandeelhouder kunnen worden. Daarom willen we vrouwelijk ondernemerschap in de land- en tuinbouw actief stimuleren. We moedigen het vormen van een vennootschap aan en adviseren bedrijfsleiders op maat.

Een duurzame toekomst voor onze vissers

Vissers hebben een zwaar en onregelmatig leven en verdienen het nodige respect. Vlaanderen is met unieke projecten als Vistraject en Valduvis, waarbij vissers en milieuverenigingen samenwerken, een voortrekker in het uittekenen van een toekomstgerichte lange termijnstrategie voor de ontwikkeling van duurzame en selectieve vangtechnieken. We dringen op Europees niveau aan op gelijkaardige inspanningen om de gevolgen van de verplichte aanlanding en het nakende teruggooiverbod het hoofd te kunnen bieden, maar ook om structurele overbevissing tegen te gaan. We ondersteunen onderzoek naar investeringen in energiebesparende maatregelen om de productiekosten te verminderen en scheppen een kader om de ontwikkeling van aqua- en maricultuur in Vlaanderen vorm te geven.

Dierenwelzijn

Het verantwoordelijk en respectvol omgaan met dieren is een natuurlijk gevolg van de menselijke waardigheid en integriteit. Dierenwelzijn blijft een aparte bevoegdheid die niet onder de minister van landbouw valt.

Elke vorm van dierenmishandeling moet bestraft worden. We investeren in een controle- en handhavingsbeleid en streven naar een gelijke mate van strengheid voor alle actoren op het terrein. Ook illegale handel en import van dieren moet bestreden worden. Daarnaast streven we naar een verbetering van de omstandigheden van trans- port van levende dieren en streven we naar een beleid dat lange transporten vermijdt.

We kijken nauwgezet toe op de naleving van de geldende verplichtingen voor het fokken van honden en katten, zowel bij particuliere als professionele fokkers,  en zorgen voor een strenge controle op alle vormen van import  van pups en volwassen honden uit het buitenland. We promoten het adopteren van honden vanuit binnenlandse asielen. Daartoe ontwikkelen we een beleid dat de werking van asielen ondersteunt en gestoeld wordt op een financieel leefbare basis.

We werken aan een strategie rond het terugdringen van dierenproeven volgens het 3V-principe, dat gebaseerd is op het verminderen, vervangen en verfijnen van proeven op dieren. Ook Europa moet systematisch maatregelen in overleg nemen om het dierenwelzijn te garanderen én, waar dat relevant is, het dierenwelzijn meeneemt in bi- en multilaterale onderhandelingen over handelsovereenkomsten met niet Europese landen.

In overleg met de betrokken subsectoren en met respect voor hun internationale concurrentiepositie zoeken we naar vooruitstrevende huisvestingsmethodes die de levenskwaliteit van nutsdieren verhogen. We houden onze blik op de toekomst en geven alle kansen aan de ontwikkeling van ‘kweekvlees’, waarbij vlees technologisch kan worden ontwikkeld op basis van een stamcellencultuur.

Een veilig land.

Zonder veiligheid is er geen vrijheid. Dan geldt het recht van de jungle, de wet van de sterkste, waarvan de mensen onderaan de sociale ladder het grootste slachtoffer zijn. Een onveilige samenleving duwt hen nog dieper en vormt een rem op de opwaartse sociale mobiliteit die wij liberalen zo belangrijk vinden. Daarom is een sterk veiligheids- beleid per definitie ook een uitgesproken sociaal beleid. De voorbije jaren hebben we hier hard aan gewerkt. Zo kregen politie en inlichtingendiensten meer technologische mogelijkheden zoals de inzet en het gebruik van ca- mera’s en bijzondere opsporingsmethoden, werden de bevoegdheden van de private bewaking gemoderniseerd en uitgebreid, en verliest men vlugger de nationaliteit wanneer men betrokken is bij mensenhandel en -smokkel, terrorisme of zware criminaliteit. De voorbije jaren hebben evenwel aangetoond dat de wereld niet stilstaat. Een steeds veranderende maatschappij vergt dus een blijvende investering in ons veiligheidslandschap. Met duidelijke prioriteiten zorgen we voor een modern en effectief veiligheidsbeleid.

Veiligheid begint bij preventie

Een sterk veiligheidsbeleid begint altijd bij een goed uitgebouwd preventiebeleid. Er is een belangrijke rol weg- gelegd voor de steden en gemeenten. Een verdeelde samenleving is een onveilige samenleving. We moeten dus strijden tegen hokjesdenken en segregatie. Om goed te kunnen samenleven, moet iedereen wel onze wetten en spelregels respecteren. Dat zijn onze fundamentele normen uit de grondwet: de vrijheid van meningsuiting, de gelijkheid van man en vrouw…”.

Een sterk georganiseerde politie

Veel politiezones zijn te klein om echt slagkrachtig te zijn en bepaalde criminaliteitsfenomenen te kunnen aanpak- ken. We moedigen daarom vrijwillige fusies financieel aan. De wijkwerking -het ‘blauw op straat’- mag niet in het gedrang komen. In Brussel komt er één politiezone onder bevoegdheid van het gewest.

Momenteel zijn het aantal agenten niet eerlijk verdeeld tussen de verschillende politiezones. Daardoor kampen veel zones met tekorten. We passen die verdeelsleutel –de zogenaamde KUL-norm- dus aan. De federale politie moet worden versterkt, zodat ze de lokale zones beter kan bijstaan. De federale en lokale politie hebben eveneens nood aan één sterke, gemeenschappelijke basiscultuur. Zo kunnen ze beter samenwerken.

Ook over de grenzen heen moet er beter samengewerkt worden. Het vernieuwde Beneluxverdrag staat hiervoor model: het zorgt voor een betere uitwisseling van gegevens, meer mogelijkheden voor grensoverschrijdend op- treden en het vergemakkelijkt het politieonderzoek in het buurland. Buitenlandse signaleringen moeten ook beter worden opgevolgd door de federale en de lokale politie en door justitie.

De instroom van nieuwe politie-inspecteurs moet verhogen. Om de aanwerving sneller te laten verlopen moet de lokale politie zelf rechtstreekse aanwervingen kunnen doen. We gaan ook voor een aanpassing van het statuut waarbij we evolueren naar functionele verloning en inzetten op mobiliteit tussen diensten.

Goed opgeleide en getrainde politiemensen moeten zich vooral met politiewerk bezighouden. Er kunnen nog veel taken worden uitbesteed aan private bewakingsagenten. Denk bijvoorbeeld aan de vaststelling en verwerking van kleine verkeersinbreuken waaronder snelheidsovertredingen, het onthaal in politiekantoren, de bewaking van gebouwen…

De technologie staat niet stil. Terwijl criminelen hier volop van gebruik maken, hinken onze veiligheidsdiensten soms achter. Aankoop van nieuw materiaal moet ook vlotter verlopen. De politiediensten beschikken nog over te veel verschillende databanken en delen nog te weinig informatie. Er is dus nood aan een efficiënter databeheer. We moeten ook evolueren naar één registratiesysteem.

Meer armslag voor de burgemeesters

Burgemeesters kunnen nu al snel optreden tegen criminaliteit via hun bestuurlijke politiebevoegdheden. Denk aan het in beslag nemen van voertuigen om zogenaamde patsers aan te pakken. Die bestuurlijke handhaving is ook zeer efficiënt om georganiseerde criminaliteit preventief aan te pakken. Wij pleiten voor een uitgebreider wettelijk kader naar voorbeeld van Nederland zodat de burgemeester, politie en justitie nog beter kunnen samenwerken. Uiteraard rekening houdende met de rechten van verdediging. Ook de burgers moeten we meer betrekken in alle aspecten van veiligheid. Denk aan het register gestolen goederen, het verspreiden van camerabeelden via soci- ale media of de oprichting van een anoniem meldpunt criminele feiten.

Informatie centraliseren en delen

Binnen de politie is er sprake van een wildgroei aan gegevensbanken. Er zijn onvoldoende waarborgen dat ge- gevens bij alle relevante diensten terechtkomen. Ook is er een breuklijn tussen de federale en de lokale politie inzake informatiebeheer. De grote politiehervorming van twintig jaar geleden was er nochtans op gericht vlotter te gaan samenwerken en een goede informatiedeling te bewerkstelligen. In de praktijk blijkt helaas dat er geen sprake is van een performante informatiearchitectuur, niet in de hardware en niet in de software. De federale en de lokale politie werken met verschillende registratiesystemen, die dringend tot één systeem moeten worden sa- mengevoegd.

Ook tussen de verschillende diensten is er nog meer ruimte voor verbetering. Tijdens de werkzaamheden van de onderzoekscommissie naar de aanslagen in Brussel is duidelijk geworden dat er een sterke behoefte bestaat aan de mogelijkheid na te gaan over welke gegevens andere diensten beschikken. We pleiten daarom voor een kruispuntbank Veiligheid om gegevens uit databanken van verschillende diensten op een geïntegreerde en veilige wijze te delen. Politie, justitie, OCAD, de inlichtingendiensten, de dienst Vreemdelingenzaken en de cel Financiële Informatie zouden aan zo’n kruispuntbank deelnemen. Deze kruispuntbank staat in de steigers, maar de bouw- werken vorderen te traag.

Aanpak drugs- en georganiseerde criminaliteit

Drugsgeweld is de laatste maanden niet uit het nieuws te slaan. Criminelen gaan hierbij steeds driester te werk. Bij de druggebruikers moet de focus vooral liggen op preventie en nazorg, bij de kleinere verdelers op repressie en nazorg en bij het groot banditisme zal het antwoord volledig repressief zijn. Om georganiseerde en zware cri- minaliteit beter het hoofd te bieden, moeten we de ‘lessons learned’ uit de verschillende actieplannen zoals het Kanaalplan, Stroomplan, Kempen-Maasplan en transmigratieplan zo veel mogelijk in de reguliere politiewerking integreren. Ook een sterkere internationale samenwerking is cruciaal, samen met het beter screenen van politie- mensen die gevoelige posities innemen, zoals in de havens.

Aanpak van terrorisme en radicalisering

De voorbije jaren werden heel wat initiatieven genomen om radicalisering tegen te gaan. Het oprichten van een LIVC (Lokale Integale VeiligheidsCel) of een LTF (Local Task Force) staan garant voor de preventieve aanpak in verschillende steden en gemeenten. De interactie tussen LTF en LIVC bouwen we verder uit. Dat geldt ook voor de Gemeenschappelijke Gegevensbank (GGB), die beheerd wordt door OCAD. Gelet het huidige dreigingsbeeld en de dreiging die uitgaat van de zogenaamde ‘lone actors’, is vroegdetectie én goede risicotaxatie cruciaal. We willen komen tot een uniform wettelijk kader ten behoeve van de LTF en de LIVC, waarin aan de hand van duidelijke criteria wordt bepaald wie als potentiele ‘lone actor’ in de GGB wordt opgenomen. Die centrale databank moet ook komaf maken met de wildgroei van databanken op het lokale niveau.

In de opsporing en bestrijding van terrorisme is het vroegtijdig detecteren van verdachte financiële transacties, hoe klein ook, essentieel. Terrorisme kan immers niet zonder financiering. Naar het voorbeeld van andere landen dient een kader uitgewerkt te worden voor een intensere samenwerking tussen de inlichtingen- en veiligheids- diensten enerzijds en de banksector anderzijds. Zo moeten politie en inlichtingendiensten op vertrouwelijke basis namen van vermoedelijke jihadisten kunnen delen met de banken om deze laatste in staat te stellen eventuele verdachte transacties na te gaan (een auto huren of een trein- of vliegticket kopen bijvoorbeeld).

Onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten moeten tenslotte de mogelijkheid hebben om in het kader van radicali- sering, extremisme en terrorisme desgevallend disruptief te kunnen optreden. Het vroegtijdig actief verstoren van dergelijke activiteiten kan er immers voor zorgen dat het schadelijk effect vermindert of zelfs verdwijnt. Dit dient evenwel geval per geval bekeken te worden en onder een onafhankelijke controle te gebeuren.

De voornoemde kruispuntbank Veiligheid is cruciaal voor het bestrijden van terreurnetwerken en het opsporen van terroristen. Onze veiligheidsdiensten moeten immers informatie kunnen uitwisselen om terreurnetwerken aan te kunnen pakken. Tegelijkertijd moeten ze ook intensief overleg plegen en al hun puzzelstukjes op tafel samen- leggen. Daarom zijn de Joint Intelligence Centers en Joint Decision Centers ook zo belangrijk. Deze werden aan- bevolen door de onderzoekscommissie 22 maart, maar zijn nog niet overal uitgerold op het terrein. Daar moet dringend werk van worden gemaakt. In die centers zitten politie, justitie en inlichtingendiensten rond de tafel voor overleg over concrete dossiers. Alleen door samen te werken, pak je dergelijke georganiseerde criminaliteit en terreur aan.

Een daadkrachtige en kordate justitie

Justitie specialiseert steeds verder en bouwt expertise op om ook complexe criminaliteit efficiënt aan te pakken. Georganiseerde en grensoverschrijdende criminaliteit ontwricht een samenleving. Dergelijke vormen van zwa- re criminaliteit moeten op alle mogelijke manieren worden aangepakt: strafrechtelijk, fiscaal en bestuurlijk. De strafmaat voor deelname aan terroristische activiteiten moet omhoog. Er moet een duidelijk onderscheid komen tussen de legale en illegale economie.

Maar we zetten niet alleen in op een lik-op-stuk-beleid voor de zware jongens. Ook zogenaamde kleine criminali- teit en overlast kunnen een negatieve impact hebben op de maatschappij. Daarom moet justitie luisteren naar de burgers wanneer zij dergelijke fenomenen melden en ook daar daadkrachtig optreden, eventueel via alternatieve wegen zoals GAS-boetes en alternatieve maatregelen zoals probatie of werkstraf. De slachtoffers moeten steeds vergoed worden voor de geleden schade. Om het signaal te geven dat wie over de schreef gaat binnen een korte termijn moet geconfronteerd worden met de consequenties van zijn daden, zetten we in op snelrecht.

De herziening van het strafprocesrecht, waartoe de Europese wetgeving ons land noopt, moet gericht zijn op minstens een halvering van de behandelings- en procestermijnen en –procedures. Dat is de essentiële doelstel- ling, die – als redelijke duurtijd – ook als mensenrecht is erkend door het Europees Hof. Wie dat wil, moet quasi volledig elektronisch de verschillende stappen van een rechtszaak kunnen doorlopen, waar mogelijk zelfs van thuis uit zodat men zich zo weinig mogelijk dient te verplaatsen. Rechtbanken moeten geleid worden op een efficiënte wijze, met aandacht voor een transparante aanpak en een goede communicatie. De toewijzing van budget en personeel hangt af van de resultaten en de kwaliteit van de dienstverlening. Recht spreken gebeurt volledig on- afhankelijk, in een verstaanbare taal en binnen een zo kort mogelijke termijn.

Een effectieve strafuitvoering

De uitgevoerde straf sluit zo dicht mogelijk aan bij de uitgesproken straf om straffeloosheid en het gevoel van straffeloosheid tegen te gaan. Alle misdrijven moeten bestraft worden. We houden rekening met de ernst van het misdrijf om een gepaste maatregel te nemen. Grote criminelen worden opgesloten, kleine criminelen moeten af- hankelijk van het geval gestraft of geholpen worden, om te vermijden dat ze verder doorgroeien op een negatieve manier. De rechter beschikt over een ruim palet aan straffen die kunnen worden uitgesproken waarbij de gevan- genisstraf het laatste redmiddel moet zijn. Als er een geldboete wordt opgelegd, moet deze ook in alle gevallen effectief geïnd worden.

De rechter beslist over de strafmaat en over wijzigingen aan die straf, zoals beperkte detentie, elektronisch toe- zicht of voorwaardelijke invrijheidstelling. We respecteren de straf die de rechter oplegt en voeren deze ook uit. Ook bij de beslissing om over te gaan tot een onmiddellijke aanhouding, moet rekening kunnen gehouden worden met het gevaar voor de maatschappij en niet alleen met het vluchtgevaar. De recente wetswijziging onder impuls van Open Vld is een belangrijke sprong voorwaarts: ook gevangenisstraffen onder de drie jaar zullen worden uit- gevoerd. Er moet strenger worden toegezien op goed gedrag en kans op re-integratie in de maatschappij. Even belangrijk is om in te zetten op zinvolle detentie: vanaf dag één zetten we in op re-integratie door een plan op maat van de veroordeelde uit te werken. Indien de gedetineerde kansen krijgt om tijdens detentie aan zijn reso- cialisatie te werken, kan de strafuitvoeringsrechtbank echt inschatten of betrokkene het verdient om van gunsten te genieten en kan die inschatting veel meer gebeuren op basis van wat de gedetineerde zelf heeft ondernomen en bewezen in plaats van te hopen dat hij zich zal gedragen.

We zetten ook in op alternatieve bestraffing en alternatieve geschillenbeslechting, naar het succesvolle voorbeeld van het project met de drugsbehandelingskamers. Recidive nam met 70% af bij deze beklaagden. Dit toont aan dat een alternatieve aanpak, waarbij de onderliggende reden voor het plegen van strafbare feiten wordt weg- genomen, een efficiënte manier is om om te gaan met bepaalde delinquenten.

Indien een gevangenisstraf wordt uitgesproken moet de resocialisatie reeds beginnen tijdens detentie, niet pas na detentie. Hiervoor moet er nauw samengewerkt worden met de gemeenschappen en met Volksgezondheid om de hulp- en dienstverlening en de zorg die we buiten kunnen aanbieden ook binnen de gevangenissen reeds te kunnen opstarten en aanbieden. Speciale aandacht dient er hierbij te zijn voor het vermijden van radicalisering in de gevangenis en voor het deradicaliseringsproces in de gevangenis.

Slachtoffers moeten centraal staan

We stellen slachtoffers centraal. Optreden tegen straffeloosheid betekent ook een erkenning en vergoeding van alle slachtoffers. Slachtoffers moeten zo goed mogelijk op de hoogte worden gehouden van het verloop van hun zaak. Een snelle en zo volledig mogelijke vergoeding van schade is een must. Ze hebben recht op één aanspreek- punt binnen politie en justitie, zodat ze zelf niet geconfronteerd worden met een administratieve rompslomp. Ook hier kan technologie de communicatiedoorstroming bevorderen, uiteraard als aanvulling en niet als vervanging van de reeds bestaande opvang- en begeleidingsmogelijkheden.

Op 22 maart 2016 werd ons land door een gruwelijke terroristische aanslag getroffen. We hebben toen moeten vaststellen dat er geen aangepast kader was om slachtoffers te ondersteunen en te vergoeden. Sindsdien is er hard gewerkt om oplossingen uit te werken. Maar er is meer nodig: een globale aanpak over de bevoegdheidsni- veaus heen. Een aanpak die slachtoffers maximaal ontlast van administratie en die een vlotte en effectieve ver- goeding op maat garandeert.

Veilig op internet

Cyberspace zal in de toekomst nog verder ontwikkelen. Dat brengt grote uitdagingen met zich mee. Het is de taak van de overheid om dit soepel en veilig te laten verlopen. Het anoniem en grensoverschrijdend karakter zorgt er voor dat criminelen naar cyberspace migreren. We pakken de internetcriminaliteit aan. Daarvoor werken we internationaal samen met andere EU-lidstaten en indien nodig ook met bondgenoten die geen lid van de EU zijn. Veilig internet betekent ook dat burgers zich veilig moeten kunnen bewegen in de digitale wereld: we eisen dan ook van de spelers op de markt dat zij instaan voor de bescherming van de (persoonsgegevens van de) gebruiker. Ook grote stakeholders als Google of Facebook dienen zich aan de wet te houden.

Een Europese defensie

De laatste jaren tonen jammer genoeg duidelijk aan dat onze veiligheid in het binnenland, sterk wordt beïnvloed door wat er in het buitenland gebeurt. De strijd tegen het door radicalisme geïnspireerd terrorisme in het Mid- den-Oosten en Afrika zijn daar voorbeelden van. We moeten dergelijke veiligheidsdreigingen aan de bron aan- pakken. Ook het ‘Vredesdividend’ van het einde van de Koude Oorlog is intussen op. De Westerse landen worden steeds meer geconfronteerd met nieuwe en hybride bedreigingen, zoals desinformatiecampagnes, cybercrime,

-spionage en -aanvallen. De wereld is instabieler en Europa komt dit maar traag onder ogen. Nochtans zal de EU niet alleen economische, maar ook militaire en diplomatieke slagkracht nodig hebben om haar belangen te verdedigen.

De EU moet een geopolitieke grootmacht worden die binnen de NAVO een eengemaakte Europese pijler vormt. Onze strijdkrachten moeten op hun beurt uiteindelijk onderdeel worden van een volwaardig Europees leger.

Binnen dat internationaal kader moeten we ons steentje bijdragen. Ons land heeft de voorbije jaren sterk geïnves- teerd in vervanging van militair materiaal en dat was ook nodig. Maar we moeten ook beseffen dat dit het begin is van een noodzakelijke inhaalbeweging: dat een land als België binnen de internationale bondgenootschappen het laagste investeringsniveau hanteert is geen goed idee. Zo stellen we ons op als free riders en tonen we wei- nig loyauteit naar de bondgenoten – waarvan we wel verwachten dat ze ons bijstaan in tijden van crisis. Deze internationale bondgenootschappen hebben ons ook al heel wat opgebracht, zoals de positieve effecten van internationale organisaties op onze economie, of schaalvoordelen waar een klein land als België anders niet kan op rekenen.

We moet daarom verstandig investeren in onze defensie en inzetten op nauwe samenwerking met onze partners en buurlanden, in de vorm van een doorgedreven integratie en operabiliteit van onze strijdmachten. Daarom vervangen we onze marineschepen samen met Nederland, en rusten we onze landstrijdkracht opnieuw uit samen

met Frankrijk. We richten ons specifiek op de zogeheten ‘capability gaps’, zaken waar onze bondgenootschappen tekorten vertonen en waar we een verschil kunnen maken.

Investeren in materieel én in mensen

Maar samen met deze investeringen in materieel, is het even essentieel te investeren in de vrouwen en mannen die ons leven en onze welvaart beschermen. De komende jaren staan we voor een sterke verjonging van onze defensie. Dat brengt uitdagingen met zich mee op het vlak van rekrutering. We moeten militairen een interessant pakket aanbieden met veel afwisseling, avontuur en levenservaring, maar ook met een correcte werk/privé-ver- houding. We bieden onze troepen een goede individuele ondersteuning als zij na een actieve militaire carrière doorstromen naar een andere werkgever. Daarnaast denken we ook verder na over de meest optimale inplanting en spreiding van defensie in ons land, zowel met het oog op de operationele noden, als om een spreiding voor potentiële kandidaten te verzekeren.

We streven naar een kleine, gespecialiseerde en goed uitgeruste defensie binnen het Europees kader. We fo- cussen ons op de zaken waar we sterk in zijn – zoals onze luchtmacht, ontmijning en speciale eenheden. Tegelijk moeten we ook onder ogen durven zien dat we de laatste decennia misschien te veel hebben afgestoten. In nauw overleg met onze bondgenoten zullen we dan ook nadenken over het opnieuw uitbouwen van ontbrekende ca- paciteiten, maar steeds daar waar we een verschil kunnen maken.

We moeten onze militairen ook durven inzetten: in operaties, niet elke dag op straat. Defensie moet en zal steeds in het binnenland beschikbaar zijn met capaciteiten die anderen niet hebben of kunnen hebben – of dat nu om gespecialiseerde taken gaat zoals CBRN (chemisch, biologisch, radiologisch en nucleair) en ontmijning, of om de beveiliging van onze straten als er een hoge geweldsdreiging is, zoals bij terreur. Maar het is niet de bedoeling dat defensie instaat voor het bewaken van de dagelijks veiligheid op straat – dat is en blijft een kerntaak van de politie.

We zullen onze reserves uitbreiden, zowel in aantal als in mogelijke taken (in binnen- en buitenland). Hierbij moe- ten we zoveel mogelijk het statuut van de actieve militair en de reservist gelijkschakelen, zodat mensen uit de openbare en privésector ons actief korps kunnen ondersteunen. Daarover moeten we in gesprek gaan we met werkgevers, want het moet ook voor hen mogelijk zijn om arbeidskrachten tijdelijk af te staan. We moeten binnen ons onderwijs meer bekijken hoe we een doorstroming kunnen organiseren naar Defensie, en hoe we de noden beter op elkaar kunnen afstemmen (bijvoorbeeld inzake cyber). Het is uitstekend dat ons leger vertegenwoordigd is op studentenbeurzen over verdere studies. Onze jongeren tonen daar steeds veel interesse voor Defensie. Die interesse moeten we zien te verzilveren, en daarbij is het van belang dat het militair beroep weer het respect krijgt die het verdient. We spreken immers steeds over de vrouwen en mannen die bereid zijn om tot het uiterste te gaan, opdat onze burgers in veiligheid kunnen leven.

Een land dat kansen geeft die iedereen kan grijpen.

Een open en vrije samenleving biedt kansen aan mensen om zich te ontwikkelen en te ontplooien. Iedereen moet zijn of haar talenten kunnen gebruiken. Daar worden we allemaal beter van. Onderwijs speelt daarin een cruciale rol: het is dé kansenmachine van onze samenleving. Kinderen leren er samenleven met anderen, verrijken zichzelf met alle kennis en uitdagingen die hen aangereikt worden en ontwikkelen zich tot volwaardige burgers. Gezinnen, in alle vormen en samenstelling, verdienen onze steun. We willen een samenleving waarin iedereen echte kansen krijgt en die ook kan grijpen.

Onderwijs dat excelleert

De kwaliteit van ons onderwijs daalt en dat is onaanvaardbaar. In 2003 behoorde ons Vlaams onderwijs nog tot de absolute wereldtop. Vandaag blijkt uit internationaal wetenschappelijk onderzoek dat we sterk achter- uit gaan, ondanks de stijgende budgetten voor onderwijs. Voor wie regelmatig met leerkrachten spreekt is dat evenwel geen verrassing, integendeel. De aandacht in het onderwijs verschuift van kennisoverdracht naar zorg en welbevinden. Leerkrachten moeten met duizend-en-één dingen bezig zijn, waardoor het les geven zelf naar de achtergrond schuift.

Dat mogen we niet laten gebeuren. Dat is spelen met de toekomst van onze kinderen én die van ons land. We hebben daarom een plan opgesteld om ons onderwijs weer naar de top te brengen met concrete en haalbare maatregelen voor de komende jaren, gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. De drempel tot ons onderwijs moet laag blijven. Het is niet de portemonnee van de ouders die de kansen van een kind mag bepalen. Maar de lat moet opnieuw omhoog. In alle netten en voor alle leerlingen. We gaan opnieuw voor goud.

Sterke leerkrachten die les geven

Laat leerkrachten opnieuw doen waar ze echt goed in zijn: lesgeven. Dat is hun kerntaak. Leerkrachten die hun stiel kennen en met passie lesgeven, zijn ook leerkrachten waar we trots op zijn. Dat betekent dat paperassen en administratie voor leerkrachten tot een minimum worden beperkt. Leerkrachten moeten opnieuw meer tijd heb- ben om bezig te zijn met lesgeven, met instructie en het aan- of bijleren van nieuwe vaardigheden. We hebben in de afgelopen legislatuur werk gemaakt van ambitieuze en moderne eindtermen voor de eerste graad van het secundair. De tweede en derde graad moeten snel volgen. Zeker in het basisonderwijs en de eerste graad ligt er meer nadruk op kennis en vaardigheden. De fundamenten moeten goed zitten. Hoe beter de basiskennis, hoe be- ter het daarna gaat om meer gespecialiseerde talenten te ontwikkelen. Leerkrachten spelen daarin een cruciale rol, maar ook directies moeten beter ondersteund worden. Een directeur is zowel een coach als een HR-manager. De hervorming van de lerarenopleidingen is ingezet. We willen dat de beste leerlingen kiezen voor het beroep van leerkracht. We willen ook in het basisonderwijs vakleerkrachten kunnen inzetten voor vreemde talen of techniek. Tegelijk maken we – zeker in het secundair – meer zij-instroom mogelijk: professionals uit hun eigen vakdomein kunnen (eventueel deeltijds) in het onderwijs aan de slag. En omgekeerd: dat leerkrachten ook elders op de ar- beidsmarkt hun compententies kunnen bijspijkeren. Daarom zorgen we voor een flexibeler arbeidsstatuut dat het ook mogelijk maakt om goeie leerkrachten beter te belonen en anderen die niet goed zijn in hun job makkelijker dan vandaag te ontslaan. Na- of bijscholing voor leerkrachten is vandaag bijna onbestaand. Dat kan beter. We maken werk van een professionele leergemeenschap tussen leerkrachten, scholen, lerarenopleidingen en externe partners zoals bedrijven of academici waar ze ervaringen kunnen opdoen en delen.

Vroeg begonnen is half gewonnen

Vroeg begonnen is half gewonnen. Daarom verlagen we de leerplichtleeftijd naar 3 jaar. Dat wil niet zeggen dat kinderen van 3 jaar elke dag een volledige dag naar school moeten gaan. Dat betekent wel dat alle kleuters regelmatig naar school gaan. Want  elk kind dat we van jongsaf aan meekrijgen, is een kind met een toekomst.  Een kind dat de start mist, riskeert een achterstand. Met ingang van 1 september 2020 gaat de leerplichtleeftijd  al naar 5 jaar. Dat is al een stap  in de goede richting. Als kinderen vroeger naar school gaan, betekent dat ook  dat we op de kleuterschool meer helpende handen en kinderverzorgers nodig hebben. De kleuterschool is al lang geen ‘bewaarklasje’ meer. Ook in de kleuterklas leren kinderen elke dag bij. Dat is de kerntaak van de kleuteron- derwijzers. We nemen hen de zorg- en andere taken uit handen. We werken het verschil in financiering tussen kleuter- en lager onderwijs weg en vinden het niet nodig om in de kleuterschool levensbeschouwelijke vakken te geven.

Inzetten op een sterke kennis van het Nederlands, lezen en schrijven

Nederlands is de basis, de taal die we in Vlaanderen spreken. Zonder een grondige kennis van het Nederlands kan je in Vlaanderen moeilijk mee. We zetten daarom meer in op taalvaardigheid voor alle leerlingen, ongeacht hun thuista(a)l(en). Dat betekent dat er meer lestijd moet gaan naar de kennis van het Nederlands, naar lezen en schrijven. Wie taalachterstand heeft, kan terecht in extra taalbadklassen. Het is niet voldoende om alleen Neder- lands te kennen als ‘gebruikstaal’. Ook grammatica, zinsontleding en begrijpend lezen zijn belangrijk en horen thuis in de eindtermen van zowel basis- als secundair.

Brussel heeft de ambitie om van kinderen meertalige burgers te maken, die als ze in het secundair afstuderen minstens zowel Nederlands-, Frans- als Engelstalig zijn. Ook in Vlaanderen moet dat kunnen. De meertaligheid van Vlamingen is altijd een troef geweest en dat willen wij zo houden. Daarom geven we scholen meer vrijheid om immersie–onderwijs te organiseren. We vertrekken daarbij steeds van een grondige kennis van het Nederlands, maar geven scholen de kans om ook inhoudelijke vakken te onderwijzen in het Engels, Frans of Duits.  Dat gebeurt wetenschappelijk onderbouwd (CLIL). We moedigen scholen ook aan om al van in de kleuter- of basisschool andere talen aan te leren. Het is wetenschappelijk bewezen dat het op jonge leeftijd gemakkelijker is om een vreem- de taal aan te leren. Waarom dan wachten tot het voor velen een vervelende opdracht wordt?

Efficiënt omgaan met de middelen

We investeren fors in onderwijs en dat is ook nodig. Het onderwijsbudget is goed voor 30% van de totale Vlaamse begroting en de afgelopen jaren groeiden de middelen met meer dan 1 miljard euro. We laten geld meer recht- streeks naar scholen en leerlingen gaan in plaats van naar structuren. In het lager onderwijs zetten we in op de ontwikkeling en uitbouw van gestandaardiseerde en genormeerde toetsen. Die meten leerwinst maar ook moti- vatie. De resultaten van OVSG-toetsen en interdiocesane proeven worden -uiteraard anoniem- transparant ter beschikking gesteld voor onderzoek en wetenschap. Aan het einde van het secundair onderwijs voeren we een centraal examen in. Daarvoor wordt een wetenschappelijk ondersteunde methode ontwikkeld. Zo weet iedere leerling op het einde van het secundair waar men staat en krijgen we als samenleving een helder zicht op de investeringen in onderwijs. Als er dan alarmbellen luiden, kunnen we sneller bijsturen. Om de dalende onderwijs- kwaliteit een halt toe te roepen willen we ook meer inzetten op wetenschappelijke expertise.

Meer vrijheid voor scholen

We willen meer vrijheid voor scholen en minder inmenging door koepels en netten. We luisteren meer naar het ter- rein. We moedigen scholen aan om ook over de verschillende netten heen samen te werken. Door te logge struc- turen worden middelen vandaag niet efficiënt besteed. De omkadering van het M-decreet of de CLB’s zijn daar een voorbeeld van. We sturen het M-decreet grondig bij en geven scholen en ouders opnieuw meer zeggenschap. We zijn fier op het buitengewoon onderwijs en geven het opnieuw een volwaardige plaats in het onderwijsaan- bod, precies omdat daar de expertise zit om te werken op maat.

Kwalitatiever lesmateriaal

Onderwijs zorgt voor cognitieve ontwikkeling. Daarnaast zijn nog drie dingen belangrijk: leren leren, leren samen- werken en leren falen. De tijd dat we naar school gaan tot 18 of 22 jaar en met louter die kennis de arbeidsmarkt op stappen, is al lang voorbij. Vandaag leer je een leven lang bij. De digitale revolutie geeft ons daar ook alle mogelijkheden voor. Precies daarom is het zo belangrijk dat de basis goed zit, zodat je later op elk moment in je leven kan instappen en verder leren. In staat zijn om samen problemen op te lossen hoort daar ook bij. We zijn allemaal voortdurend met elkaar verbonden en dat geeft de mogelijkheid om gezamelijke kennis te delen om problemen op te lossen. Leren falen gaat hand in hand met mogen presteren. Prestatie is een goeie drijfveer, die het voor kinderen mogelijk maakt om zichzelf te overstijgen. Daar hoort ook bij dat je leert dat niet alles lukt, dat we uit fouten kunnen leren, opstaan en weer verder gaan. Door te veel te pamperen en consequent prestaties en falen uit te wissen, helpen we kinderen geen stap verder.

We maken de kwaliteit van het lesmateriaal veel beter dan het vandaag is. We stappen af van te veel invulboe-  ken en leggen opnieuw de nadruk op schrijven en begrijpend lezen. Daarnaast kunnen leerlingen gebruik maken van computers, tablets of smartboards om zelf op zoek te gaan naar antwoorden en informatie. De nadruk op instructie-onderwijs gaat hand in hand met meer moderne technieken om informatie te verwerven. Wie vroeger een televisietoestel kocht, moest eerst de handleiding lezen om TV te kunnen kijken. Vandaag wijst het gebruik van smartphones en tablets zichzelf uit. Daarom is het voor heel wat vakken beter om gewoon te doen.

Leren programmeren

De komende 5 jaar zou elk kind in de basisschool kennis moeten maken met programmeren en computertaal. Vandaag zijn intitiatieven zoals “Coding for all” en “Coder-Dojo’s” bijzonder succesvol, meestal als buitenschoolse

activiteit. Maar in deze digitale tijd zouden we die initiatieven aan élk kind moeten kunnen aanbieden. Weten hoe de digitale wereld in elkaar zit, wordt een basiscompetentie. Dat wil niet zeggen dat we de fout moeten maken om van elk kind een computerspecialist te maken, integendeel. In een samenleving waar robots en Artificial Intelligen- ce heel wat taken van mensen overnemen, worden typische menselijke vaardigheden opnieuw belangrijk. De ‘hu- manoria’, zeg maar gerust menswording, wint opnieuw aan belang met een focus op taal, literatuur en creativiteit.

Godsdienst wordt een keuzevak

Wij maken van de lessen levensbeschouwing op school een keuzevak, dat naar keuze van de leerling binnen of buiten de uren gevolgd kan worden. Wie liever geen levensbeschouwing wil, kan de vrijgekomen uren invullen met een ander vak. In het keuzepakket komt er ook een vak LEF – dat staat voor Levensbeschouwing, Ethiek en Filosofie.

Duaal leren legt bruggen tussen scholen en bedrijven

In het secundair onderwijs trekken we volop de kaart van duaal leren. Zo geven we leerlingen de kans om ervaring op te doen op de arbeidsmarkt en in het bedrijfsleven. We zorgen er ook voor dat leerlingen die niet graag alleen maar op de schoolbanken zitten, aan de slag kunnen. Zo gaan we schooluitval tegen. Steden en gemeenten kunnen bedrijven en scholen uit de buurt met elkaar in contact brengen. We moedigen de samenwerking van scholen met private partners aan. Zo kunnen jonge mensen sneller met modern materiaal leren werken en sneller nieuwe technieken aanleren. We breiden deze vorm van werkplekleren uit naar het hoger onderwijs en volwas- senenonderwijs.

De school als ontmoetingsplaats

De lat omhoog, de drempel laag. Gelijke onderwijskansen en excellentie gaan hand in hand. Precies door de lat hoog te leggen op het vlak van kwaliteit, geven we alle kinderen een kans op een betere toekomst. Tijdens de schooluren ligt de nadruk daarom op lesgeven, bijleren en je talent ontwikkelen. Daarnaast houden we – zeker in moeilijke buurten – kinderen en jongeren ook buiten de schooluren binnen de schoolmuren. Het is niet logisch om schoolgebouwen en infrastructuur alleen van half negen tot half vier te gebruiken en daarna leeg te laten staan. Ook voor en na schooltijd kan een waaier aan activiteiten georganiseerd worden die plezant of nodig zijn zoals huiswerkbegeleiding, warme maaltijden, sport en ontspanning. We moedigen onderwijsinstellingen aan om zoveel mogelijk samen te werken met bijvoorbeeld muziekacademies, sociale diensten, sportverenigingen en jeugdcen- tra. Steden en gemeenten spelen hierbij een belangrijke rol. Leerkrachten en deskundigen kunnen onbelast bijver- dienen door zich in te zetten buiten de vaste schooltijd. Tegelijk wordt naar school gaan de regel en thuisonderwijs de absolute uitzondering die alleen nog mogelijk is na een strenge kwaliteitscontrole.

Hoger onderwijs heeft een centrale rol in de samenleving

De toegang tot het hoger onderwijs is laagdrempelig. Dat vertaalt zich in een groot aandeel hooggeschool- den in Vlaanderen: meer als 40% van de 25 tot 64 jarigen had in 2017 een diploma hoger onderwijs. De lijn is ook stijgende. In 2014 was dat nog 37%, in 2010 35%. Een hooggeschoolde beroepsbevolking is essentieel voor onze kenniseconomie.

Zowel hogescholen als universiteiten hebben hun eigenheid en gegarandeerde kwaliteit. Dat moeten we behou- den. Op het vlak van financiering zijn er wel verbeteringen mogelijk. Het huidige financieringssysteem is weinig transparant en leidt tot interne concurrentie. Het kliksysteem, dat een compensatie is voor de groei van het aantal studenten, voeren we onverkort uit.

We moeten bekijken welke belangrijke richtingen – zoals STEM en bedrijfsgerichte opleidingen in de hogescholen

– ondergefinancierd zijn en hoe we dit kunnen rechttrekken. Tevens moeten bepaalde BanaBa’s en ManaMa’s die noodzakelijk zijn om een bepaald beroep of een ambt uit te oefenen door de Vlaamse overheid gefinancierd worden.

Andere postinitiële opleidingen moeten in het kader van levenslang leren veel beter gepositioneerd en geprofi- leerd worden. Universiteiten en hogescholen hebben een centrale rol in de overgang naar een samenleving waarin levenslang leren de norm wordt.

Ook duaal leren zou ten volle in het hoger onderwijs (en in het volwassenonderwijs) moeten worden uitgerold.

Elk jaar verdwijnen 8.000 van de 21.000 startende universiteitsstudenten van die universiteit. Bij de blijvers doen meer studenten er vier, vijf of meerdere jaren over om hun bachelordiploma te behalen. Het flexibel systeem dat bedoeld was om vertraging te vermijden bij studenten die een klein tekort hebben, heeft er toe geleid dat stu- denten nu net langer studeren. Het is goed dat jongeren meerdere kansen krijgen, maar de slinger is te ver door- geslagen. In 2006-2007 slaagde nog bijna 40% van de studenten er in om binnen de drie jaar een professionele of academische bachelor te halen. Vandaag is dit amper 25%. In 2010 slaagden 38% van de studenten nog voor alle vakken in het eerste jaar. Nu is dat nog 32%. We pleiten voor een verplichte, niet bindende toelatingsproef zodat toekomstige studenten zich beter kunnen oriënteren. Ook de studie(traject)begeleiding moet beter.

Wil Vlaanderen als kennisregio overeind blijven moet er ook meer aandacht gaan naar de internationale profile- ring van het hoger onderwijs. Het aandeel van opleidingen in een andere taal is te beperkt ook op het niveau van bachelor en master, internationaal toptalent wordt onvoldoende aangetrokken – mede door de rigide taalver- eiste van het Nederlands, en er is te weinig internationale mobiliteit. Twintig jaar geleden gingen 2000 studenten op uitwisseling naar een buitenlandse universiteit; vandaag zijn dat er 6000. Maar het totaal aantal studenten is in die jaren ook toegenomen. De ambitie om 1 student op 3 een buitenlandse ervaring te laten opdoen wordt nog niet gerealiseerd.

Hoger onderwijs, wetenschapsbeleid en innovatie zouden tot slot best onder één minister vallen, om zo tot grotere wisselwerking te komen.

Kinderen en gezin

Alle gezinnen tellen mee. In de fiscaliteit, de sociale zekerheid, wetgeving en openbare diensten nemen we het in- dividu als maatstaf. Tijden veranderen, gezinnen ook. Elk individu kiest vrij een manier om samen te leven. Jongeren hebben recht op een mooie toekomst. Die wordt bepaald door de kansen die ze krijgen als baby of als kind. Het is belangrijk dat we jonge ouders ondersteunen.

We hebben de gezinsbijslag hervormd naar het Groeipakket om alle kinderen een sterke start te geven met een basisbedrag van 160 euro, eventueel te verhogen als gezinnen een beperkt inkomen hebben of indien een kind bijzondere zorg nodig heeft. In het kader van die hervorming zorgden we ervoor dat kinderopvang zonder subsi- dies beter betaalbaar werd door te voorzien in een opvangtoeslag. Voor kinderen die nog niet leerplichtig waren, maar naar de kleuterklas gingen, werd voorzien in een kleutertoeslag. Zo krijgen kinderen de stimuli die ze nodig hebben om klaar te zijn voor het eerste leerjaar.

Soms vinden mensen moeilijk hun weg. Het Huis van het Kind dat in zowat elke gemeente is opgericht moet een kompas worden voor ouders en kinderen. Want soms hebben kinderen het moeilijk: ze hebben psychische proble- men, een beperking, ze hebben geen veilige thuis of hun ouders kunnen niet behoorlijk voor hun kinderen zorgen of omgekeerd de kinderen moeten zorgen voor hun ouders.

We breiden het kwaliteitsvolle en betaalbare aanbod aan kinderopvang verder uit. We richten ons daarbij ook op opvang met ruimere openingsuren. Om meer kinderopvangplaatsen te creëren moeten we zorgen dat kinderdag- verblijven financieel leefbaar zijn. We willen dat alle initiatiefnemers in de kinderopvang minstens de basissubsidie krijgen, en indien ze dat wensen kunnen omschakelen naar een inkomensgerelateerd opvanginitiatief. De basis- subsidie trekken we op naar 800 euro per kind per jaar.

Bovendien verdriedubbelen we de belastingvermindering voor kinderen jonger dan drie jaar. We stimuleren ouders op die manier om aan de slag te blijven en vermijden dat één van beiden thuis blijft om voor de kinderen te zorgen uit financiële overweging.

We geven gemeenten de middelen om buitenschoolse activiteiten en opvang op elkaar af te stemmen. Een in- dividuele loopbaanportefeuille met alle verloven en niet-uitbetaalde overuren laat ouders toe om privé en werk beter kunnen te combineren. We hervormen en breiden het ouderschapsverlof uit.

We hebben oog voor nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen en de noden die daaruit voortvloeien (singles, nieuw samengestelde gezinnen, nieuwe samenlevingsvormen, moderne woonvormen…). Voor ons kiezen mensen zelf met wie, hoe lang en op welke manier ze samenleven of niet. Wij verwachten van de overheid een neutraal kader op maat van de diverse wereld waarin we vandaag leven. Haar beleid moet gebaseerd zijn op fiscale en administratieve gelijkheid, transparantie en op volledige keuzevrijheid van het individu.

De groeiende groep van alleenstaanden is heterogeen. Kinderloze alleenstaanden worden systematisch door het beleid vergeten maar niet door de fiscus. Het kan niet dat mensen die vrijwillig of onvrijwillig single blijven en geen kinderen krijgen, hiervoor dubbel en dik gestraft worden. De overheid mag immers noch fiscaal noch sociaal bepaalde samenlevingsvormen bestraffen. Alleenstaanden lopen vaak ook een verhoogd armoederisico. Wij zijn voor een singlereflex, waardoor nieuwe beleidsmaatregelen niet onterecht nadelig uitvallen voor alleenstaanden. Voor bestaande maatregelen, bijvoorbeeld op het vlak van moderne samenlevingsvormen of het recht hebben op bepaalde sociale tegemoetkomingen, moeten discriminaties systematisch worden weggewerkt. De bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid wordt bijvoorbeeld berekend op het gezinsinkomen. Daardoor betalen singles en feitelijk samenwonenden twee keer zoveel als gehuwden en wettelijk samenwonenden. We bereken deze bij- drage daarom voortaan op individuele basis en halveren de tarieven. Het resultaat is een singles-bonus van maximaal 365,64 euro op jaarbasis.

Kinderloze alleenstaanden moeten ook het recht hebben om iemand van hun keuze als ‘sociaal familielid’ aan te duiden. Deze persoon kan aanspraak maken op zorgverlof en wordt voor de erfbelasting als een verkrijger (erfge- naam) in de rechte lijn beschouwd.

Diversiteit en samenleven

Omdat elke mens gelijkwaardig is, strijden we tegen iedere vorm van discriminatie of uitsluiting op basis van ge- nder, afkomst, leeftijd, seksuele geaardheid, handicap, levensbeschouwing of welke andere grond dan ook. Wij vinden diversiteit een troef, omdat de combinatie van verschillende inzichten tot vooruitgang leidt. Samenleven in diversiteit is de realiteit van de 21e eeuw. Ze biedt nieuwe mogelijkheden, maar vraagt ook inspanningen van iedereen. Opdat diversiteit alle beloftes kan inlossen, moet iedereen een inspanning leveren. Daarbij verdedigen we steeds de basisprincipes van de Verlichting. Inburgeren en emanciperen zijn sleutelwoorden, voor oude én nieuwe burgers.

We wijzen het denken dat mensen reduceert tot één identiteit, af. De identiteit van mensen is gelaagd. Iedereen bepaalt zelf zijn of haar eigen identiteit. Je kan hier zijn wie je wil, zeggen wat je wil, worden wat je wil. Al die unie- ke mensen bij elkaar maken een diverse samenleving. Regelgeving maken we met het individu als uitgangspunt. Mensen kiezen zelf met wie, hoe lang en op welke manier ze samenleven – of niet – en of ze kinderen krijgen of niet. Regelgeving is er om een kader te scheppen voor die keuzes, niet om samenlevingsvormen te promoten of op te dringen.

In een diverse samenleving moeten we duidelijk de fundamentele waarden benoemen en verdedigen waarop onze samenleving stoelt: de individuele vrijheid, scheiding tussen kerk en staat, de gelijkheid van man en vrouw, de vrijheid van meningsuiting, democratische besluitvorming, de rechtsstaat en de voorrang van de wet op religieuze regels. Ze maken immers het samenleven in diversiteit mogelijk en garanderen tegelijk de vrijheid van elk van ons om het eigen leven zelf vorm te geven. We maken een onderscheid tussen fundamentele waarden enerzijds en tradities en gewoonten anderzijds. Over de eerste valt niet te onderhandelen, over de andere staan we steeds open voor dialoog en gaan we op een redelijke manier om met vragen tot aanpassing, waarbij vrijheid en open- heid steeds onze leidraden zijn.

We kiezen voor een beleid dat ingaat tegen segregatie. Al te vaak leven we naast elkaar in plaats van met elkaar. Elk in zijn eigen gemeenschap of groep. Zonder interactie met mensen uit andere groepen. Elk zijn eigen jeugdhuis, zijn eigen jeugdbeweging, sportclub of ontmoetingscentrum. Sommigen pleiten zelfs voor eigen scholen. De stad als een eilandenarchipel. Waarbij iedere groep op zijn eigen eiland leeft. Dat is nefast. Het leidt tot wederzijds onbegrip en onbehagen. De ideale voedingsbodem voor racisme en discriminatie.

Daarom moedigen we mensen aan om samen te leven. Om hun kinderen naar dezelfde scholen of jeugdbewe- gingen te sturen. Om samen te sporten in één sportclub. Om dezelfde werkvloer te delen. Uiteraard verplichten we ze niet. Vrijheid en vrije keuze vormen onze kernwaarde. Maar we zijn ervan overtuigd dat door het samenleven te stimuleren, we onze samenleving beter maken. De overheden geven daarbij het voorbeeld en zijn een afspiegeling van de diversiteit in onze samenleving.

We bestrijden racisme en discriminatie

We geven iedereen een eerlijke kans om vooruit te gaan. Om zijn of haar leven in eigen hand te nemen. Zonder racisme en discriminatie. Niet op straat, niet op de werkvloer, niet op de huurmarkt. Nergens. Discriminatie is antili- beraal. Het herleidt mensen tot hun afkomst. Het stigmatiseert, kwetst en – vooral – het ontneemt mensen kansen om vooruit te gaan. Daarom verzetten wij er ons tegen. Voor ons liberalen telt niet je afkomst. Voor ons telt enkel je toekomst. We voeren de strijd op tegen iedere vorm van discriminatie of uitsluiting op basis van gender, afkomst, leeftijd, seksuele geaardheid, handicap, levensbeschouwing of welke andere grond dan ook.

Open Vld kiest daarbij voor een tweesporenbeleid: preventie en sensibilisering enerzijds, controle en handhaving anderzijds. Open Vld wil discriminatiegevoelige sectoren voluit de kans geven om via een strikte zelfregulering discriminatie tegen de gaan. Zij kunnen en moeten sectorale gedragscodes, positieve acties of diversiteitsplan- nen uitwerken. Maar we vragen wel resultaten. Als die er niet of onvoldoende zijn, geven we ook inspectiediensten meer armslag om zowel pro-actief als re-actief op te treden, door gebruik te maken van datamining of gerichte praktijktesten.

Daarvoor worden wel strikte richtlijnen opgesteld door het parket. Op dit moment worden de eerste testen voor- bereid en uitgevoerd. De eerste ervaringen met dit systeem zijn belangrijk om te evalueren en te verbeteren. Om bedrijven aan te moedigen niet te discrimineren voeren we ook antidiscriminatieclausules in bij overheidsop- drachten, naar analogie met sociale en milieuclausules.

We geven nieuwkomers de kans om zich te integreren

Nieuwkomers ondersteunen we volop zodat ze zich kunnen integreren in onze samenleving. Het doel is om ze zelf- redzaam te maken en te emanciperen. We geven hen de instrumenten en vaardigheden om op eigen benen te staan. Om hun eigen toekomst vorm te geven.

De Vlaamse inburgeringstrajecten, waarbij nieuwkomers onze taal en enkele cruciale basisvaardigheden leren, zijn daarbij cruciaal. Ingevoerd onder toenmalig minister voor inburgering, Marino Keulen, hebben ze hun nut intussen

bewezen. Het is alleen jammer dat we vandaag moeten vaststellen dat ongeveer 1.700 nieuwkomers soms langer dan een jaar moeten wachten om te kunnen starten. Dit is een fout signaal. Open Vld wil die wachtlijsten daarom versneld wegwerken.

Inburgering en de participatie van nieuwkomers in de samenleving en op de arbeidsmarkt zijn nog te vaak los- gekoppeld van elkaar. Een job is nochtans de beste garantie op zelfredzaamheid en emancipatie. Daarom moe- ten alle inburgeraars meteen aan de slag. Om dat te bereiken moet er bij de begeleiding van nieuwkomers een sterkere klemtoon komen op het begeleiden naar een job. Nederlands leren of opleidingen volgen zijn uiteraard belangrijk, maar mogen niet weerhouden dat mensen al aan de slag gaan. De inburgerinsgtrajecten moeten daarom voldoende flexibel georganiseerd worden, zodat mensen die al werken ze ook kunnen volgen.

Tenslotte moet er meer aandacht komen voor onze waarden en normen. Die moeten een prominentere plaats krijgen in de inburgeringstrajecten, in de vorm van “burgerschapslessen”. Ze zijn immers de essentiële spelregels van onze samenleving. De individuele vrijheid, scheiding tussen kerk en staat, de gelijkheid van man en vrouw, de vrijheid van meningsuiting, democratische besluitvorming, de rechtstaat en de voorrang van de wet op religieuze regels. Ze vormen de sokkel waarop onze diverse samenleving is gebouwd. Ze garanderen de vrijheid van elk van ons om het eigen leven zelf vorm te geven.

Omdat we ze zo essentieel vinden, wil Open Vld ook mensen die nog geen verblijfstitel hebben al wegwijs maken in onze waarden en normen. Mensen die hier internationale bescherming vragen, moeten vaak meerdere maanden wachten op een beslissing over hun verzoek. In die periode verblijven ze in ons land. Daarom is het ook voor hen belangrijk dat ze al vertrouwd worden gemaakt met onze fundamentele spelregels. Ook hen willen we burger- schapslessen geven.

Man, vrouw, X, Q: iedereen is gelijkwaardig.

In onze diverse samenleving heeft iedereen recht op maatschappelijke aanvaarding. Je wordt verliefd op wie je wilt, leeft samen met wie en hoe je wilt en je mag je unieke zelf zijn. Naast het bewaken van de grondwettelijk ge- waarborgde gelijkheid en non-discriminatie op basis van gender, geaardheid, zogenaamd ras, handicap, geloof, leeftijd… hechten we belang aan gelijke (start-)kansen en toegankelijkheid.

De eeuw van de vrouw

Voor ons zijn vrouwen en mannen volstrekt gelijkwaardig. Nog steeds worden vrouwen gediscrimineerd op de ar- beidsmarkt, verrichten ze de meeste gezinstaken, lopen ze een hoger armoederisico en zijn vaker slachtoffer van seksueel en intrafamiliaal geweld. We gaan voor radicale kansengelijkheid voor vrouwen in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en als ouder.

De 21ste eeuw moet de eeuw van de gelijkberechtigde vrouw worden. We streven naar evenredige participatie en vertegenwoordiging in alle maatschappelijke en politieke geledingen en treden streng op tegen seksueel en partnergeweld, onderdrukking, genitale verminking of gedwongen huwelijken.

We zorgen voor een degelijk onthaal van slachtoffers van partnergeweld door de uitbouw van een ‘Family Justice Center’ in elke provincie. We dragen deze waarden ook internationaal uit. We beklemtonen in het bijzonder de nood aan onderwijs voor vrouwen en promoten seksuele en reproductieve rechten in het kader van ‘She Deci- des-campagne’, met het oog op hun emancipatie.

Je bent wie je bent

Ons land is een gidsland op het vlak van seksuele oriëntatie, genderidentiteit en de expressie ervan. We spelen een internationale voortrekkersrol in het aankaarten van homo- en transfobie in landen of regio’s waar homo- en transseksualiteit nog strafbaar is. We kaarten actief het thema LGBTIQ-rechten aan op internationale fora, naar aanleiding van de toekenning van steun voor ontwikkelingssamenwerking, in gesprekken met religieuze leiders, tijdens bilaterale en multilaterale contacten en in diplomatieke contacten.

In België word je verliefd op wie je wilt en je voelt je hoe je wilt. De overheid heeft de plicht om een genderneutraal beleid uit te bouwen, dat ook interseksuelen en questioning vat. In die optiek pleiten we voor de invoering van een zogenaamd ‘derde geslacht’ (M/V/X), maar waar mogelijk schrappen we de geslachtsverwijzing op officiële do- cumenten. Iedereen heeft het recht, ook ten aanzien van de overheid, discreet te blijven over zijn of haar geaard- heid. Seksuele oriëntatie mag voor de overheid niet relevant zijn. We stimuleren sensibilisering via verdere opbouw en verspreiding van wetenschappelijke kennis rond seksualiteitsbeleving en besteden hierbij eveneens aandacht aan aseksualiteit en de maatschappelijke positie van aseksuelen. Ten aanzien van LGBTIQ-personen kiezen we voor een nieuw interfederaal actieplan tegen discriminatie en geweld omwille van seksuele oriëntatie, genderi- dentiteit, genderexpressie of intersekse-conditie. Daarnaast vragen we een actualisering van het interfederaal plan betreffende de strijd tegen hiv en soa’s, met bijzondere aandacht voor preventie, een nog betere toeganke- lijkheid van PrEP en andere preventieve middelen en de ontwikkeling van een laagdrempelig hiv- en soatestbeleid.

We hebben speciale aandacht voor doelgroepen binnen de doelgroep. Zeer in het bijzonder willen we voorko- men dat ouderen opnieuw gedwongen worden in de kast te kruipen zodra ze naar een rvt-instelling gaan of dat LGBTIQ in de sportwereld het slachtoffer worden van homo- of transfobie. We versterken tevens de positie van mensen met een migratieachtergrond, asielzoekers en vluchtelingen in wiens gemeenschap holebi-, trans- en interseksualiteit omwille van religieuze of culturele redenen nog in de taboesfeer zitten.

Het onderwijs speelt een determinerende rol in de maatschappelijke aanvaarding en gelijkberechtiging van LGB- TIQ. Dat moet al starten in het kleuteronderwijs. Ook de seksuele voorlichting moet correct, neutraal en met oog voor diverse vormen van seksuele oriëntatie en seksualiteitsbeleving worden gegeven. Ook mensen met een gees- telijke of fysieke beperking hebben recht op seksualiteitsbeleving. Met het oog op hun seksuele gezondheid pleiten we voor de oprichting van een centrum dat deze mensen bijstaat om hen te ondersteunen in hun zoektocht naar seksualiteitsbeleving en affectie.

Armoede

Het liberalisme gelooft in de kracht van elk individu. Daarom ijveren we voor emancipatie en gelijke startkansen zodat iedereen zich kan ontplooien op basis van zijn of haar talenten en capaciteiten. Armoedebeleid moet een springplank zijn, geen uitkeringsmodel dat mensen in de armoede verankert. Een job beperkt het armoederisico tot minder dan 5%. Ook onderwijs is een bijzonder efficiënt wapen tegen armoede. Beide spelen in op zelfred- zaamheid. Activering en onderwijs zijn voor ons de belangrijkste instrumenten van een geslaagd armoedebeleid.

Armoede is evenwel complex en niet te reduceren tot een gebrek aan middelen. We hebben nood aan een aan- pak en programma’s die er op gericht zijn om ouders en kinderen uit het kansarm isolement te halen en hen te laten deelnemen aan de samenleving en activiteiten in de eigen omgeving.

We zetten volop in op begeleiding en activering van mensen zonder job, want werk blijft de beste garantie. Het GPMI (geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie) moet worden veralgemeend naar álle leeflo- ners, niet enkel de nieuwe. We laten niemand los, maar elke leefloner moet maximaal begeleid én geresponsabi- liseerd worden. En waar mogelijk ook geactiveerd.

Het leefloon laten we verder stijgen zodat iedereen een menswaardig bestaan kan leiden. We blijven hierbij wel indachtig voor werkloosheidsvallen. We zorgen er voor dat mensen in armoede ook effectief de uitkeringen en voordelen krijgen waar ze recht op hebben.

We creëren een wetgevend kader waarbij de digitale watermeter als budgetmeter gebruikt kan worden naar analogie met de digitale meter voor elektriciteit. Dit laat ons toe om de nu reeds voorziene toegang tot een ba- sishoeveelheid water makkelijker uitvoerbaar en opvolgbaar te maken.

Voor de sociale huurmarkt gaan de budgetten jaar na jaar omhoog, terwijl we slechts 4% van de mensen op een wachtlijst aan een woning kunnen helpen. Veel geld verdwijnt in allerhande structuren. We investeren deze centen beter efficiënter om mensen in nood te helpen.

Open Vld stelt voor om de wachtlijsten voor sociale woningen aan te pakken door sociale huurders via huursubsi- dies naar de private huurmarkt te laten doorstromen.

Een levendige huurmarkt

Huren moet opnieuw een positief en volwaardig alternatief voor de koopmarkt worden. Om het huuraanbod te vergroten is rechts- en investeringszekerheid noodzakelijk. We hebben de huurwaarborg opgetrokken van twee naar drie maand.

Door in te zetten op energiebesparende investeringen voor huurwoningen met een beperkte verhuurprijs, bijvoor- beeld via de huur- en isolatiepremie, zorgen we er voor dat huurwoningen energiezuiniger worden. Zo daalt ook de energiefactuur voor de huurders.

De uitbreiding van het aanbod zal niet enkel een positief effect hebben op de prijs en de kwaliteit van de huurwo- ningen maar ook op het antidiscriminatiebeleid. Zowel discriminatie als het verhuren van een energieverslindende woning moeten in de toekomst door een gepast woonbeleid ontmoedigd worden.

We stimuleren nieuwe woonvormen, zoals hamsterwonen, waarbij je een woning of appartement huurt met de optie om deze later te kopen. De reeds betaalde huurgelden worden dan in mindering gebracht van de aan- koopprijs.

Een modern woonbeleid

Om tegemoet te komen aan de huidige maatschappelijke tendensen, zoals kleinere gezinnen en in het bijzonder de groeiende groep van kinderloze singles, nieuw samengestelde gezinnen en alleenstaande ouders, kiest Open Vld voor een vraaggericht woonbeleid dat rekening houdt met de veelheid aan samenlevingsvormen. Dit vraagt dat we als beleid anders gaan denken over wonen en met structurele oplossingen moeten komen waarbij we nieuwe structurele oplossingen, zoals co-housing, verder moeten uitdenken.

Een vrij en plezant leven.

Een volmaakt leven is een leven waarbij de balans tussen werk en privé in evenwicht is. Ontspanning draagt bij aan fysieke en mentale gezondheid van mensen en maakt dus onlosmakelijk deel uit van een gelukkig leven. Daarom is het van belang dat er een ontspanningsaanbod is dat tegemoet komt aan de wensen en noden van de bevolking. Of men nu graag reist, theater of televisie kijkt, tentoonstellingen bezoekt, actief is in een jeugdbe- weging of sport: burgers moeten uit een breed aanbod kunnen kiezen.

Cultuur verbindt en onderneemt

Cultuur verbindt

Een duurzame en ambitieuze cultuurbeleidsvisie vertrekt van de waarde van kunsten, erfgoed en sociaal-cultureel werk voor de samenleving. Door zich cultureel te engageren doen mensen competenties op die hen houvast bie- den binnen andere levensdomeinen. Cultuur prikkelt, zorgt voor een brede en open kijk op de wereld, en stimuleert burgerzin, identiteitsbeleving en een kritisch zelfbewustzijn. Vlaanderen is een regio met een rijk erfgoed, een sterk sociaal-cultureel volwassenenwerk, een uitgebreid amateurkunstennetwerk, een vernieuwend circuskunstenveld en een authentieke hedendaagse kunstensector en creatieve industrie. Onze culturele sector speelt een cruciale rol als motor van creativiteit, innovatie en gemeenschapsvorming. Cultuur is niet het zout op de friet, het is de friet zelf.

Het is daarom belangrijk dat we mensen kennis leren maken met het ruime aanbod van cultuur. Er is nood aan cultuureducatie en projecten die diversiteit verhogen en kansengroepen meer mogelijkheden geven om deel te  nemen aan diverse vormen van vrijetijdsactiviteiten. Zo krijgen mensen een beter idee van het ruime culturele

aanbod en ontwikkelen ze aan cultuur verbonden competenties (creativiteit, kritisch en reflectief denken, vermo- gen tot communicatie, samenwerking en netwerking, probleemoplossend vermogen, greep krijgen op het eigen leerproces). Het onderwijs en het jeugdwerk vormen belangrijke partners om kinderen en jongeren kennis te laten maken met diverse vormen van kunst en cultuur.

We creëren hefbomen die zorgen dat mensen de weg kunnen vinden naar interessante culturele plekken, zoals de Museumpas waarmee je 100 musea kan bezoeken voor 50 euro. Ook de UiTPAS, waarmee je voordelig aan allerhande vrijetijdsactiviteiten kan deelnemen past binnen dat kader.

Ook de strijd tegen grensoverschrijdend gedrag in de sector vormt een belangrijk aandachtspunt. De maatrege- len die we namen moeten nu goed opgevolgd worden.

Cultureel ondernemerschap

Mensen in de cultuursector zijn echte doeners. Van de artiesten en kunstenaars, tot de vele vrijwilligers die een handje helpen. Door de private sector dichter bij de cultuursector te  brengen, hebben we er voor gezorgd dat   de private middelen binnen de sector enorm gestegen zijn. De Tax Shelter, de cultuurkredieten en de kunstkoop- regeling maken de culturele sector sterker  en levensvatbaarder en minder afhankelijk van overheidsmiddelen.    De uitbreiding van de Tax Shelter naar podiumkunsten resulteerde in 2018 al in 325 aanvragen en een geschatte bruto-investering van 42,92 miljoen in de sector.

Inzetten  op de export van producties, het internationaal laten toeren van onze gerenommeerde kunstenaars       en gezelschappen, zonder afbreuk te doen aan onze culturele identiteit is de beste levensverzekering voor een bloeiend cultureel en audiovisueel landschap. Deze beweging van follow-the-actor willen we verder versterken.   De overheid zorgt voor een kader waarbinnen mensen en organisaties vrij initiatief kunnen nemen. Wanneer de overheid belastinggeld investeert, moet dat doordacht gebeuren. Openbare faciliteiten, kunst en cultuur die openbaar toegankelijk zijn (of in het publieke domein zichtbaar zijn), zijn goede voorbeelden van juiste investe- ringen.

De culturele en creatieve sector speelt ook een fundamentele rol bij de creatie van een aantrekkelijke stad, regio of land. Naast de algemene ‘vibe’ die een levendige cultuursector in een stad brengt, zorgt ze voor een directe return. In de eerste plaats werkgelegenheid, maar ook: mensen die naar een voorstelling gaan, blijven meestal ook iets eten of drinken in de stad.

Tot slot is het ook belangrijk dat er middelen gaan naar innovatie en experiment. Vlaanderen heeft steeds voor- uitstrevende kunstenaars, tv-makers en artiesten gehad en we moeten die innovatie, die later vaak gemeengoed wordt, van bij het begin ondersteunen. Dat geldt des te meer voor jonge, sectoren met veel potentieel zoals gaming. Ook projecten met internationale uitstraling die ons op de kaart zetten en een grote economische meer- waarde genereren moeten we blijven ondersteunen.

Media ‘on demand’

We leven in een boeiende mediatijd. De gebruiker bepaalt zelf waar, wanneer en hoe media beleefd wordt. Weer- bare burgers vormen de ruggengraat van onze democratie, ook op de digitale informatiesnelweg. De keuze van het juiste baanvak maak je volgens Open Vld via informatie en kennis. Steun aan de pers betekent voor ons steun aan de journalistiek. Dat vormt de hoeksteen voor een pluriform en kwaliteitsvol nieuwsaanbod.

We zetten in op mediawijsheid, zodat iedereen van jongs af aan vertrouwd raakt met mediatoepassingen en op een kritische manier kan omgaan met informatie.

Onze uitgangspunten voor de mediasector zijn onafhankelijkheid, toegankelijkheid en een gelijk speelveld. De overheid biedt een leefbaar kader om media- en gamebedrijven die de Vlaamse audiovisuele creaties interna- tionaal op de kaart kunnen zetten te laten bloeien. De openbare omroep blijft haar focus leggen op informatie, duiding, educatie en cultuur. De VRT werkt marktversterkend, gaat concurrentie met private spelers uit de weg en deelt kennis en innovatie.

Inclusieve jeugdwerking

Investeren in jeugd is investeren in de toekomst. Via het jeugdbeleid moeten kinderen en jongeren maximaal kun- nen genieten van hun jeugdjaren en zichzelf ontplooien. Het Vlaamse jeugdwerk is zeer sterk, maar qua diversiteit en inclusie kunnen en moeten er nog stappen ondernomen worden. Wij willen op zoek gaan naar de juiste manier om mensen met een beperking of mensen uit diverse sociale contexten en met een migratieachtergrond meer te betrekken in het Vlaamse jeugdwerk. Dit doen we in samenspraak met de sector. De middelen voor het jeugd- werk moeten idealiter zoveel mogelijk jongeren bereiken. We koesteren oude formules die hun waarde hebben bewezen, maar zitten niet stil en kijken ook naar de toekomst via experiment en innovatieve projecten. Projecten en activiteiten waarbij bestaande (publieke) ruimte die momenteel leeg staat, toch gebruikt wordt, moeten vlotter mogelijk zijn. We werken regulitis weg en geven jongeren inspraak in zaken die hen aanbelangen.

Sport als uitlaatklep met internationale ambitie

Sport is een belangrijk onderdeel van het vrijetijdsbeleid. Sportende mensen zijn gezonder en sport biedt een uitlaatklep. Het is onze bedoeling om zoveel mogelijk mensen aan het sporten te krijgen, daarom voorzien we goede infrastructuur, garanderen we een veilige en gezonde sportomgeving en zorgen we ervoor dat de Vlaming een goed overzicht heeft van de sportmogelijkheden. We proberen mensen beter op de hoogte te brengen van wat de sportmogelijkheden in hun buurt zijn en zorgen er via innovatieve projecten voor dat jongeren vlot kunnen kennismaken met verschillende sporten. Door mensen op jongere leeftijd te laten kennismaken met een breed aanbod, in plaats van enkel met traditionele sporten, kunnen we ook de talentdetectie verbeteren. De absolute toptalenten krijgen voldoende ondersteuning om hun ambities waar te maken en we werken beter samen over gewestgrenzen heen om topsporttalenten een echt Belgische ondersteuning te geven. Ook qua infrastructuur bekijken we hoe we topsportregio’s inrichten in samenspraak met andere gewesten. Op die manier vermijden we nodeloze en dubbele kosten en kunnen we infrastructuur van het hoogste niveau verzekeren.

Daadkrachtige lokale besturen

Lokale besturen staan het dichtst bij de praktijk, waar mensen wonen, werken, winkelen, uitgaan,… Uit alle barome- ters blijkt ook dat mensen het meeste vertrouwen hebben in hun lokaal bestuur. Toch hebben de Vlaamse lokale besturen, in vergelijking met andere Europese landen, een relatief beperkte rol binnen het overheidslandschap. Zo bedragen de uitgaven van de Belgische lokale besturen slechts 7,1% van het bbp, tegenover een EU-gemiddelde van 10,7%. In Denemarken is dat zelfs 34,4%, in Nederland 13,4% (dus bijna dubbel zoveel als in ons land). We willen daarom de autonomie van de lokale besturen versterken. Deze legislatuur is met de commissie decentralisatie een eerste aanzet gegeven. Die heeft op sommige vlakken (bv. personeelsbeleid) wel wat stappen vooruit gezet, maar de oefening moet verder gaan en fundamenteler zijn. Daarom wil Open Vld onder meer op het vlak van welzijn (bv. buitenschoolse kinderopvang) of voor bepaalde infrastructuurwerken (bv. doortocht van gewestwegen in verstedelijkte kern) en het openbaar vervoer via de vervoerregio’s, onderzoeken hoe andere bevoegdheden en bijhorende middelen kunnen worden overgeheveld naar het lokale niveau.

Dat betekent ook dat kleinere gemeenten, die nu vaak onvoldoende bestuurskracht hebben, zullen moeten na- denken over een fusie. We willen geen gedwongen fusies. Een fusie moet van onderuit komen. Om kleinere ge- meenten te stimuleren, willen we wel een tweede, aangepaste fusiebonus. Tegelijk is meer samenwerken tussen gemeenten nodig en dat op een structurele manier. We willen komen tot een structurele regiowerking, zoals die vandaag al bestaat voor sommige deelaspecten (bv.  streekeconomie). In een ideaal model groeien alle bestaan-  de samenwerkingsverbanden naar die zelfde regio’s toe (voor verschillende domeinen, zoals politie, hulpverlening, streekontwikkeling, openbaar vervoer,…). Op die manier werken we ook de huidige verrommeling tegen binnen de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. In dat model is er geen meerwaarde meer voor de huidige provin- cies. Zij mogen afgeschaft worden als bestuursniveau. Hun resterende bevoegdheden worden overgeheveld naar ofwel het Vlaamse niveau, ofwel – zoveel mogelijk – naar het gemeentelijke (al dan niet in regionaal samenwer- kingsverband).

Europa en de wereld.

We hebben méér internationale samenwerking nodig, niet minder. 30 jaar geleden viel de Berlijnse Muur. De li- berale wereldorde had het communisme verslagen. Een rimpelloze toekomst diende zich aan, misschien zelfs het einde van de geschiedenis. Is dàt eventjes anders gelopen! Twee neergehaalde wolkenkrabbers in New York, hebzuchtige bankiers en speculanten die het financiële systeem aan de rand van de afgrond brachten. Trump, de Brexit. Handelsconflicten met China. Cyberaanvallen uit Rusland. Datzelfde Rusland dat zijn buurlanden aanvalt. Opeenvolgende oorlogen in het Midden-Oosten. Oprukkend nationalisme en autoritaire regimes, ook in Europa.

Nu de wereld onvoorspelbaarder wordt, willen doemdenkers dat we ons op onszelf terugplooien. Dat we de grenzen sluiten en muren bouwen. Tegen migranten, tegen de klimaatverandering en tegen het terrorisme. Wat een illusie! De opwarming van de aarde, de migratiestromen en de terroristische dreiging stoppen niet aan onze grens. Er is niet minder maar meer internationale samenwerking nodig. Wie denkt dat we het op ons eentje kunnen oplossen, die vergist zich schromelijk.

Angst is een slechte raadgever. Daarom voeren we een ambitieus buitenlands beleid, dat zowel onze belangen als de democratische waarden verdedigt. Want in een gefragmenteerde wereld waar de wet van de sterkste heerst, heeft een land als België veel te verliezen. Trouwens, toont de Brexit-chaos niet aan dat het zelfs voorma- lige grootmachten niet langer lukt om volledig autonoom hun eigen bootjes te doppen?

Daarom hebben we sterke internationale organisaties nodig. De Europese Unie en de NAVO,  uiteraard, maar ook  de Verenigde Naties. Want  alleen op dat niveau kunnen globale problemen aangepakt worden. Sinds begin dit  jaar is België lid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Die verkiezing was een blijk van vertrouwen van de wereld. Tegelijk brengt het een bijzondere verantwoordelijkheid met zich mee, om te strijden voor de universele mensenrechten, de rechtstaat en de gelijkheid tussen vrouwen en mannen.

Onze liberale democratieën staan onder druk. Door het religieuze fundamentalisme dat onze samenleving binnen sijpelt. Maar ook door nationalistische en antidemocratische strekkingen die niet terugschrikken voor fake news. Als liberalen kunnen we hier niet aan toegeven.

Onze welvaart hangt af van het buitenland

Het buitenland vormt de levenslijn voor onze open economie en onze welvaart. We léven van de uitvoer en van het aantrekken van buitenlandse investeringen. Daarom hebben we een sterk en wijdvertakt diplomatiek netwerk nodig, dat op zoek gaat naar nieuwe afzetmarkten en investeringen en dat burgers en bedrijven ondersteunt. Je kan je afvragen of de verschillende overheden op dat vlak wel voldoende samenwerken. Samen beschikken het federale België, Vlaanderen, Brussel, Wallonië en de Franstalige Gemeenschap over zowat 250 kantoren en verte- genwoordigingen in het buitenland. Zweden heeft er honderdtwintig. Al die kantoren werken vooral naast elkaar en veel te weinig met elkaar. Van een systematische informatiedoorstroom, bijvoorbeeld, is er nauwelijks sprake. In New York tellen we 7 vertegenwoordigingen, verspreid over twee adressen, met 60 personeelsleden. In Den Haag zijn er 6 vertegenwoordigingen, verspreid over 3 adressen, met 38 personeelsleden. In de helft van de 25 sterkst groeiende landen, zoals Bangladesh of Ghana, daarentegen, valt geen enkele vertegenwoordiging te bespeuren. Wat een versnippering, verspilling en inefficiëntie! We moeten rationaliseren in dat gigantische kantorennetwerk, zonder dat dit afbreuk doet aan de dienstverlening aan burgers en bedrijven. Ook dat is staatsvermindering. We kunnen in meer landen aanwezig zijn dan nu en toch het totale aantal kantoren verminderen. Op voorwaarde dat we allemaal samenwerken. Waarom niet alle Belgische, Vlaamse, Brusselse, Waalse en Franstalige kantoren in een stad onder 1 dak samen brengen, al was het maar om te vermijden dat burgers en bedrijven van hot naar haar worden gestuurd?

Dienstverlening aan landgenoten in het buitenland

Landgenoten die in de problemen raken moeten geholpen worden, onmiddellijk en in hun eigen taal. De digitale technologie maakt een centraal contactpunt mogelijk voor alle landgenoten in het buitenland, zowel de toerist  die haar paspoort kwijt raakte als de expat die zich zorgen maakt over de nationaliteit van zijn kinderen. Eén cen- traal telefoonnummer, 1 centraal mailadres, bereikbaar 24 uur per dag, 7 dagen per week. Op dit 24/7 consulair loket moet je ook digitaal de documenten kunnen krijgen die je nodig hebt.

Waarom dat niet combineren met een reisapp met algemene informatie, de reisadviezen van Buitenlandse Zaken, de adressen van de ambassades en de mogelijkheid om te chatten met het centraal contactpunt? Op die app kunnen we ons registreren, of we nu voor enkele weken op reis gaan of in het buitenland wonen. Bij een aardbeving of een bomaanslag, zijn de gegevens van wie zich daar bevindt onmiddellijk beschikbaar.

Het moet ook veel makkelijker worden om vanuit het buitenland te stemmen. Inloggen via Itsme of met een elek- tronische identiteitskaart en je stem uitbrengen, technologisch kan het perfect. Ook in eigen land trouwens. Het is nog steeds verplicht om je stem uit te brengen. Waarom maken we het dan niet zo gemakkelijk mogelijk?

Het Europese glas is meer dan halfvol

Nu eurosceptici steeds luider de trom roeren, beseffen we onvoldoende de weldaden die de Europese integratie ons bracht. De Europese lidstaten voeren al 75 jaar geen oorlog met elkaar, een historisch record. Gezworen vijan- den in de Balkan leggen eeuwenoude conflicten bij om toch maar lid te mogen worden van de Europese club. Je kan vrij rondreizen, zonder paspoorten of visa, zonder torenhoge roamingkosten. In de meeste landen kan je met dezelfde munt betalen. Tienduizenden Erasmusstudenten doen de ervaring van hun leven op.

We kiezen voluit voor een sterk en efficiënt Europa, niet vanuit een dogmatische benadering maar vanuit het ge- zond verstand: heel wat uitdagingen kunnen veel efficiënter worden aangepakt op het Europees niveau.

De Europese eenheidsmarkt geeft onze bedrijven de nodige schaal om internationaal competitief te zijn, want onze nationale markt is daarvoor te klein. Maar het werk is niet af. Zo vereist het vrij verkeer van personen een coördinatie van de Europese sociale zekerheidsstelsels, anders dreigen sociale dumping en uitkeringstoerisme.

In tijden van protectionisme en handelsoorlogen moet Europa een voortrekker blijven op het vlak van internatio- nale vrijhandel. Europa is het grootste handelsblok ter wereld. Voor een land als België, dat leeft van internationale handel, is dat een ongelofelijke troef. Daarom blijven we inzetten op ambitieuze handels- en investeringsakkoor- den. Maar we zijn niet naïef. Van onze handelspartners verwachten we dat zij de klimaatdoelstellingen nastreven en de internationale normen respecteren. Vrijhandel mag niet leiden tot ecologische, fiscale of sociale dumping! Integendeel, vrije en eerlijke handel betekent een gelijk speelveld met minimumstandaarden die door iedereen worden gerespecteerd. Door ambitieuze handelsakkoorden af te sluiten, kan Europa wereldwijd de lat hoger leggen.

Zo sluiten we geen handelsakkoorden af met belastingparadijzen. Multinationals mogen niet aan elke vorm van belasting ontsnappen. En ook onze veiligheid en intellectuele eigendom mogen niet in het gedrang komen. Daar- om krijgen Chinese of Russische technologiebedrijven niet zomaar vrij spel op onze markt en werken we aan een systeem van screening van buitenlandse investeringen in kritieke infrastructuur.

Een slanke en daadkrachtige overheid, ook in Europa

De Europese Unie heeft niet altijd de bevoegdheden of slagkracht om ook effectief daadkrachtig op te treden. Dat komt in de eerste plaats omdat de manier waarop onze Europese instellingen georganiseerd zijn nog dateert van vlak na de Tweede Wereldoorlog. Deze willen we dus grondig hervormen.

De Europese Unie moet slanker en daadkrachtiger. Er zijn te veel commissarissen, te veel adviesorganen en com- missies met een onduidelijke opdracht, Europese parlementsleden die iedere maand van Brussel naar Straatsburg verhuizen, een vetorecht waarbij lidstaten vaak elke vooruitgang in bepaalde domeinen tegenhouden,…

We slanken de Europese Commissie daarom af van 27 tot 12 commissarissen en zorgen voor homogene bevoegd- heidspakketten. Zo moet er bijvoorbeeld één Europese minister van Financiën komen die beschikt over een Euro- pese schatkist die de euro en de Europese economie kan beschermen tegen buitenlandse schokken. Hij of zij zal in de plaats komen van de drie, huidige, tandeloze commissarissen die nu verantwoordelijk zijn voor de Eurozone.

De unanimiteitsregel binnen de Europese Raad schaffen we af. Op deze manier kunnen we sneller beslissingen ne- men en vooruitgang boeken in belangrijke dossiers. Lidstaten kunnen dan niet langer voortdurend hervormingen tegenhouden die het Europese belang dienen, maar waar ze als lidstaat geen voorstander van zijn. Zeker wat buitenlandbeleid betreft moeten de unanimiteitsregel de schop op zodat de Europese Hoge Vertegenwoordiger eindelijk een mandaat krijgt om de Europese belangen beter te verdedigen.

Het Europees Parlement tot slot moet volheid van bevoegdheid krijgen. Dat wil zeggen dat het Parlement eigen wetgevende initiatieven zal kunnen nemen. Iets wat het vandaag nog niet kan. Het Europees Parlement moet daarnaast niet enkel de uitgaven maar ook de inkomsten van de Europese Unie kunnen controleren. Het ondoor- zichtig systeem van nationale dotaties moet dus gelijk omgevormd worden tot een transparante Europese belas- ting die de burger – via het Parlement – kan goedkeuren, aanpassen of wegstemmen.

Wie de Europese waarden niet respecteert, krijgt ook geen Europees geld

De Europese Unie is zoveel meer dan een interne markt. We zijn een Unie die gebouwd is op sterke, gemeenschap- pelijke waarden en we moeten meer doen dan vandaag meer om onze deze te verdedigen. Lidstaten die ze niet respecteren voelen dat in hun portefeuille.

De liberale democratie en de Europese rechtsstaat staan immers onder grote druk van extremisten en populisten als Orbàn, Salvini en Kaczynski. Vandaag is het zo dat landen die toetreden tot de Unie moeten voldoen aan minimum democratische voorwaarden, waaronder ook het verbod op de doodstraf. Maar eens een land binnen de Unie is, zijn er nog maar bitter weinig middelen om het op het rechte pad te houden.

Daarom koppelen we het recht op Europese steun zoals landbouwsubsidies en structuurfondsen aan het res- pecteren van de Europese rechtsstaat en democratie. Het ingehouden geld wordt op een geblokkeerde rekening gezet en komt pas vrij wanneer de regering haar antidemocratische maatregelen terugdraait. We moeten daar- naast de bestaande mogelijkheid behouden om het stemrecht van lidstaten in de Raad te schorsen indien ze hardleers blijven en de Europese waarden niet respecteren.

Ontwikkelingssamenwerking

Solidariteit met opkomende landen

De klassieke Noord-Zuid benadering heeft afgedaan. Het idee dat de problemen zich in het zuidelijke halfrond bevinden en dat we in het noorden de oplossingen hebben, dat is definitief begraven. In een aantal domeinen zijn de zaken zelfs omgekeerd. Probeer in Brussel maar eens met een swipe van je smartphone een espresso te betalen. In Nairobi kan dat overal.

Op heel wat vlakken gaat de wereldbevolking erop vooruit. Meer kinderen dan ooit gaan naar school, minder vrouwen dan ooit sterven in het kraambed, meer dan 80 procent van de wereldbevolking heeft toegang tot  wa-  ter en elektriciteit, de middenklasse in Azië en Afrika groeit, het aantal mensen in extreme armoede daalt. Deze vooruitgang is te danken aan beter bestuur, innovatie, stabiliteit en, vooral, aan economische groei. Het Belgische ontwikkelingsbeleid kan deze gunstige evoluties versterken en versnellen, als een katalysator. We focussen in het beleid op vrouwenrechten en seksueel geweld, klimaatverandering, de versterking van de lokale privésector en digitalisering als hefboom van ontwikkeling.

Veiligheid en stabiliteit zijn basisvoorwaarden voor ontwikkeling. In een aantal landen, vooral in Sub Sahara Afrika, blijft de bevolking gegijzeld door conflicten en chaos, corruptie en wanbestuur. Het zijn vaak dezelfde landen die het zwaarst getroffen worden door de opwarming van de aarde. De impact van de klimaatverandering op veilig- heid, op conflicten, op illegale migratie groeit.

Vrouwen en kinderen zijn altijd de eerste slachtoffers van geweld en van oorlogen. Vrouwen zijn nochtans dé hef- boom voor ontwikkeling. Wanneer vrouwen beter opgeleid zijn, gezonder, mondiger en een job hebben, dan stijgt de welvaart, daalt het seksueel geweld en vertraagt de bevolkingsexplosie.

Door in te zetten op ontplooiingskansen van vrouwen en meisjes, op tewerkstelling en duurzame economische groei die de planeet vrijwaart voor de volgende generaties, op veiligheid en stabiliteit, op klimaataanpassing, dragen we ook bij tot het vermijden van illegale migratie. Mensen die kansen kunnen grijpen in hun eigen land, verlaten dat land niet. Uitzichtloosheid, armoede en onveiligheid zetten aan tot migratie. We moeten die proble- men aanpakken uit welbegrepen eigenbelang: Europa kan geen eiland van welvaart in een zee van armoede zijn.

We richten ons voornamelijk op de buurlanden van de Europese Unie in Noord-Afrika en het Midden-Oosten, de Sahelregio en Centraal-Afrika. We zetten minstens 50% van het ontwikkelingsbudget in op de meest fragiele en minst ontwikkelde landen in deze regio’s omdat deze landen de komende jaren onmogelijk op eigen kracht kunnen voldoen aan de noden van hun bevolking.

Asiel en migratie

Een gecontroleerde instroom en een kordate uitstroom

Migratie is van alle tijden. Het is een verhaal van mensen op zoek naar vrijheid en een beter lot. Landen die open staan voor migratie, zijn beter gewapend voor de uitdagingen van morgen. Ze zijn welvarender, creatiever en innovatiever en plukken daar de vruchten van. Kijk maar naar Canada. Goed georganiseerde migratie biedt dus voordelen, vooral in tijden van vergrijzing. Nieuwkomers kunnen hun schouders zetten onder onze samenleving en onze welvaart. Eventjes rondwandelen in onze ziekenhuizen en rusthuizen volstaat om dat te beseffen. Gelukkig maar dat die buitenlandse artsen, verpleegkundigen en onderhoudspersoneel er zijn.

Toch passen we voor een naïef beleid van open grenzen. België en Europa kunnen niet het toevluchtsoord voor de hele wereld zijn. Een opengrenzenbeleid heeft catastrofale gevolgen voor onze welvaart en onze samenleving. Daarom maken we regels en passen we die toe. Dat is de kern van het strenge maar rechtvaardige beleid rond asiel en migratie dat we verder willen blijven voeren. We staan open voor wie bescherming zoekt en voor wie een bijdrage kan leveren aan onze samenleving en onze welvaart. Maar we treden hard op tegen illegale migratie, mensenhandel en mensensmokkel. En we zorgen dat we weten wie er op ons grondgebied verblijft.

Een sterke buitengrens

In een Unie zonder binnengrenzen is het belangrijk dat er een goed gecontroleerde buitengrens is. Daarvoor ver- sterken we het Europese Kust- en Grenswachtagentschap Frontex en geven we hen de middelen en de bevoegd- heid om in te springen bij het bewaken van de Europese grenzen waar dat nodig is. Zo zorgen we ervoor dat die Europese grenzen overal even goed bewaakt worden.

Asielzoekers worden zo veel mogelijk in de regio van het conflict opgevangen, met hulp van de EU. Ook zij die illegaal in Europa aankomen, sturen we naar centra aan de buitengrenzen, waar ze een asielaanvraag kunnen indienen. De asielaanvragen worden behandeld volgens kwalitatieve procedures. Wie erkend wordt, heeft recht op bescherming, in veilige derde landen of in de EU via resettlement. Wie toegang krijgt tot Europa verdelen we volgens een spreidingsplan dat geldt voor alle lidstaten. Wie niet erkend wordt, wordt teruggestuurd, vrijwillig als het kan, gedwongen als het moet. Een gevaarlijke illegale oversteek wordt zo ook nutteloos.

We verdelen de lasten binnen Europa op een correcte en solidaire basis. Alle lidstaten moeten hun deel doen als het gaat over het opvangen van erkende vluchtelingen en over het terugsturen van wie niet kan blijven. De gaten en mankementen in het huidige Europese Dublinmechanisme laten veel te veel secundaire migratiestromen toe, dat roepen we een halt toe.

De thuislanden moeten meewerken aan de terugkeer. Dat wordt een centraal thema in ons buitenlands beleid. Ontwikkelingssamenwerking, economische deals, nabuurbeleid en handelsakkoorden kunnen daar als incentive dienen. Landen die meewerken, kunnen op onze steun en op die van Europa rekenen. Tegelijk gebruiken we die instrumenten ook om er in derde landen voor te zorgen dat vluchtelingen en migranten goed opgevangen en ondersteund kunnen worden. Zo nemen we de grondoorzaken van illegale migratie naar Europa weg.

Snelle en duidelijke procedures

Het is de taak van de overheid om te allen tijde een snelle behandeling van de asielprocedure te garanderen. Dit veronderstelt een continue monitoring en efficiënt beheer van de asielketen. Door een snelle asielprocedure weet de asielzoeker snel waar hij aan toe is en worden geen valse verwachtingen gewekt. Daarom is het ook belangrijk dat achterpoortjes worden gesloten. Een neen blijft een neen.

Een snelle asielprocedure is ook in ons belang. Hoe sneller de asielprocedure, hoe lager de kost voor de staat.

De overheid staat in voor een gepaste opvang en begeleiding van de asielzoekers tijdens de asielprocedure. We aanvaarden niet dat families met kinderen op straat moeten leven. We hebben specifieke aandacht voor kwets- bare personen met specifieke noden zoals slachtoffers van mensenhandel, slachtoffers van seksueel geweld of genderdiscriminatie, andersvaliden of kinderen…

De overheid garandeert een effectief terugkeerbeleid. Wie geen recht heeft op bescherming, moet het grond- gebied verlaten. Liefst zelfstandig en vrijwillig, maar als dat niet binnen een redelijke termijn gebeurt, dan neemt de overheid het over en zorgt ervoor dat de terugkeer ook effectief plaats vindt. De nodige middelen worden daarvoor vrijgemaakt, en we werken  waar mogelijk Europees samen. Een gedwongen terugkeer uitvoeren doen  we zoals het hoort: de fundamentele rechten moeten steeds gerespecteerd worden, daar mag geen twijfel over bestaan. Maar we wapenen ons tegen eindeloze procedures die enkel maar de terugkeer proberen uit te  stellen  en te verhinderen.

Wie naar hier komt in het kader van gezinshereniging moet op eigen benen kunnen staan

Nieuwkomers die naar ons land komen om hier te werken, doen vanzelfsprekend hun best om in hun eigen on- derhoud te voorzien. We gaan na dat dit ook effectief gebeurt en zorgen ervoor dat niemand misbruik maakt van onze welvaartsstaat. Tegelijk zorgen we ervoor dat ook mensen die naar België migreren om andere legale redenen, actief deelnemen aan onze samenleving.

We moedigen dus iedereen die naar België komt aan om zo snel mogelijk een job te vinden en een bijdrage te leveren aan onze samenleving. We voorzien daartoe ook de nodige begeleiding en opleiding. Werken is de snel- ste manier om te integreren en een zelfstandig bestaan in België op te bouwen. Het is ook de beste manier om te voorkomen dat mensen moeten aankloppen bij de overheid om een menswaardig bestaan te kunnen leven.

In het kader van gezinshereniging is het vandaag zo dat het gezinslid dat reeds in België verblijft vijf jaar garant staat voor toereikende en stabiele bestaansmiddelen voor de persoon die naar België komt. Het is dan ook lo-  gisch dat er in die vijf jaar geen aanspraak gemaakt kan worden op een werkloosheidsuitkering door de persoon  die naar België komt.

We mogen echter niet blind zijn voor schrijnende situaties zoals intrafamiliaal geweld. In dergelijke gevallen moe- ten we steeds het slachtoffer beschermen, daarvoor voorzien we dus een uitzondering. Anders zetten we de slachtoffers vast in hun situatie; dat is onaanvaardbaar. Ook wanneer de persoon die garant moet staan voor het inkomen, plots zwaar ziek wordt, moeten we ons hart kunnen tonen.

Maar we kijken wel degelijk streng toe op de verwachting dat wie naar ons land komt, geen onredelijke belasting mag vormen op onze samenleving. Wie tijdens de eerste vijf jaar van zijn verblijf op OCMW-steun terechtkomt, kan dan ook zijn verblijfsvergunning verliezen.

We trekken volop de Blauwe Kaart om die mensen aan te trekken die we nodig hebben

We willen selectiever zijn in de migratie die we toelaten. Minder passieve migratie, meer actieve migratie. Een Europees Blue Card of Blauwekaartsysteem zorgt voor een doeltreffende economische migratie waarbij we men- sen aantrekken die hier de openstaande vacatures kunnen invullen. Daar hebben we economisch nood aan. De huidige blauwe kaart is er op gericht om de best opgeleide mensen over de hele wereld aan te trekken naar onze economie – maar tot nog toe maakt onze arbeidsmarkt daar nauwelijks gebruik van. De procedure is te zwaar en te ongekend. Daar brengen we verandering in.

Daarnaast breiden we het systeem ook uit. De krapte op de arbeidsmarkt wordt steeds groter. In heel Europa. In 2040 verwacht de Europese Unie een tekort van 24 miljoen werknemers. Dat bedreigt onze welvaart: elke job die niet ingevuld geraakt, betekent een rem op groei voor onze economie. En het gaat daar niet enkel om hoogge- schoolde jobs, maar om vacatures in alle sectoren en alle niveaus.

We pleiten dus voor een werkend Europees systeem van economische migratie naar Canadees en Amerikaans voorbeeld. Met deze economieën concurreren we om de arbeidskrachten die we nodig hebben. Om onze wel- vaart ook in de toekomst te garanderen, kunnen we niet zonder het toptalent en de beste arbeidskrachten die wereldwijd beschikbaar zijn. Met een dergelijk systeem, kunnen de Europese lidstaten en Vlaanderen zelf bepalen welke profielen we aantrekken om onze economieën en vergrijzende samenlevingen te versterken.

Een land dat werkt heeft de begroting in evenwicht.

Een duurzaam beleid voor de toekomst staat of valt met een goed begrotingsbeleid. De afgelopen vier jaar werd het begrotingstekort voor 3/4de weggewerkt. De belastingen gingen naar omlaag. Het overheidsbeslag werd afgebouwd. In de volgende legislatuur moeten we op dezelfde weg verder gaan. De begroting moet in evenwicht worden gebracht. De belastingen moeten verder naar omlaag. En het overheidsbeslag moet verder naar bene- den.

Daarnaast moeten we ook oog hebben voor de gezondheid van de overheidsfinanciën op middellange en lange termijn. De vergrijzing van de bevolking doet de sociale uitgaven stijgen. De enige duurzame manier om hieraan het hoofd te bieden is door meer mensen aan het werk te krijgen en oudere werknemers iets langer aan het werk te houden. In de voorbije legislatuur werden meer dan 250.000 extra jobs gecreëerd. Meer dan 4,8 miljoen mensen zijn vandaag aan het werk: een historisch hoogtepunt. Jobs, jobs, jobs moet ook één van de speerpunten zijn van de volgende federale en Vlaamse regering. We stelden hierboven een ambitieus plan voor om met ons land nog hoger te mikken en de kloof met landen als Nederland en Duitsland te dichten.

Een begroting in evenwicht

Om de begroting in evenwicht te brengen én tegelijkertijd de belastingen te verlagen moet het overheidsbeslag verder naar beneden. Tijdens de voorbije legislatuur zijn we erin geslaagd om het overheidsbeslag terug te drin- gen van 55,3% bbp in 2014 naar 52,6% bbp in 2019. Een dergelijke inspanning is ongezien in de afgelopen 20 jaar. In vergelijking met andere Europese landen blijft ons overheidsbeslag echter nog te hoog. En als we geen extra maatregelen nemen, dan verwacht het Planbureau dat het overheidsbeslag zelfs terug zal stijgen naar 53,7% bbp in 2024. Daarom moeten we in de volgende legislatuur het overheidsbeslag verder moeten terugdringen tot on- der de 50% bbp. Op deze manier kunnen we zowel de begroting in evenwicht brengen als een nieuwe belangrijke belastingverlaging doorvoeren die de koopkracht van de mensen verhoogt.

Om het overheidsbeslag onder de 50% bbp terug te dringen zullen we op drie pijlers moeten werken. Allereerst zullen we in de volgende legislatuur 300.000 extra jobs moeten creëren. Dat zijn niet enkel nieuwe jobs, maar ook invulling van bestaande vacatures. Daarom voeren we een zeer ambitieus arbeidsmarktbeleid. Bij ongewijzigd beleid schat het Planbureau dat er dankzij de economische groei zo’n 160.500 jobs zullen bijkomen. Met de maat- regelen die we nemen, zullen we dus zo’n 139.500 extra jobs moeten creëren. Ten tweede zullen we zwaar moeten inzetten op een meer efficiënte overheid. In de komende vijf jaar vertrekt een groot aantal ambtenaren met pen- sioen. We moeten van deze pensioneringsgolf gebruik maken om de overheid lichter te maken. Met een focus op  de kerntaken  van de overheid en op administratieve vereenvoudiging en gebruik makend van de vele kansen die  de digitalisering biedt, moet dit lukken. In ons ‘Kafka-plan’ stellen we maar liefst 40 concrete plannen voor om de overheid radicaal te digitaliseren en vereenvoudigen. Ten slotte moeten we blijven hervormen in de sociale zeker- heid. Dit om ervoor te zorgen dat iedereen ook in de toekomst zal kunnen blijven rekenen op een sterke sociale zekerheid wanneer hij of zij op pensioen gaat, ziek valt, werkloos wordt,…

300.000 extra jobs creëren

Meer mensen aan het werk vormt de meest verstandige manier om de begroting te verbeteren. De cijfers spreken voor zich. Landen zoals Nederland, Duitsland en Zweden waar veel meer mensen aan het werk zijn dan in België, boeken momenteel een begroting in overschot. Mensen die werken, dragen bij aan de schatkist en de sociale zekerheid. Er moeten ook minder sociale uitkeringen worden uitbetaald. Meer detail over het arbeidsmarktbeleid dat we wensen te voeren, kan teruggevonden worden in het betreffende hoofdstuk. Hier worden 3 maatregelen uitgelicht die ook belangrijk zijn in het kader van de begroting.

Werken moet lonen. Initiatief nemen en inspanningen leveren moete beloond worden. Daarom moeten de lasten op arbeid verder naar omlaag. In de vorige legislatuur werd het 30%-tarief in de personenbelasting al geschrapt, waardoor men langer onderworpen blijft aan het 25%-tarief. In de volgende legislatuur moet ook het 40%-tarief worden geschrapt, zodat men nog langer aan het 25%-tarief onderworpen blijft. We brengen het aantal tarie- ven in de volgende legislatuur dus terug van 4 naar 3. Daarvoor voorzien we een budget van vier miljard euro. Vlaanderen doet daar een inspanning van 640 miljoen euro bovenop. We focussen in Vlaanderen op de lagere inkomens, die minder profiteren van de federale inspanning omdat ze minder belastingen betalen. Door aan die groep een gerichte jobstimulans toe te kennen kunnen we iedereen die werkt gemiddeld 1000 EUR extra per jaar geven. Ook zelfstandigen en gepensioneerden zullen van deze hervorming profiteren door het optrekken van de 25% schijf.

We zijn zo goed als het enige land ter wereld waar de werkloosheidsuitkeringen niet beperkt zijn in de tijd. Dit is één van de verklaringen waarom vacatures zo moeilijk ingevuld geraken in ons land. Statbel rapporteerde voor het vierde kwartaal van 2018 141.700 openstaande vacatures. Voor 40% hiervan is niet echt een diploma vereist. Om de werking van onze arbeidsmarkt te verbeteren moet de werkloosheidsverzekering grondig worden her- vormd. Centraal hierin staat de beperking van de werkloosheidsverzekering in de tijd tot 2 jaar. Maar ook het ver- zekeringsprincipe zal worden versterkt. Vandaag zien de middenlonen en de hogere lonen hun koopkracht sterk terugvallen wanneer ze werkloos worden. Daarom zullen de werkloosheidsuitkeringen gedurende de eerste perio- de van werkloosheid worden opgetrokken. Na deze eerste periode zal de degressiviteit worden versterkt, zodat de nodige prikkels worden gegeven om terug aan het werk te gaan. Na 2 jaar zal de werkloosheidsuitkering beperkt worden in de tijd. Voor werkzoekenden die moeilijk te activeren zijn, zal opleiding een meer centrale plaats krijgen.

In de voorbije legislatuur was voor de eerste keer meer dan 50% van de 55-plussers aan het werk. Dit is een be- langrijke verbetering, maar in vergelijking met voorbeeldlanden zoals Nederland, Duitsland en Zweden is er nog een lange weg te gaan. Eén quick win om de werkgelegenheidsgraad onder 55-plussers verder op te trekken  is de toegang tot het brugpensioen voor eens en voor altijd sluiten. Tegelijkertijd moeten we er wel voor zorgen dat oudere werknemers ook langer aan de slag kunnen blijven. Dit kunnen we bereiken door het systeem van de zachte landingsbanen dat in de voorbije legislatuur werd gecreëerd, verder aan te moedigen. Er zal ook meer in de opleiding van werknemers worden geïnvesteerd, zodat hun competenties mee evolueren met de veranderende arbeidsmarkt, maar ook zodat ze niet gans hun carrière in een zwaar beroep werkzaam zijn.

Een lichtere en meer efficiënte overheid

Wanneer we de werking van de overheid (personeelskosten + verbruik) in België vergelijken met de werking in som- mige andere landen, dan stellen we vast dat op sommige domeinen onze overheid duur is. Bovendien staat daar maar zelden een betere prestatie tegenover. Onze overheid werkt dus niet altijd efficiënt. Dat is ook frustrerend voor heel veel ambtenaren die zich dag in dag uit inzetten voor een betere overheid. Een benchmarking leert dat we het overheidsbeslag met 1% bbp kunnen terugdringen, indien onze overheid even performant zou zijn als bv. in Nederland of Duitsland. Hierbij dienen we de perimeter van de overheid voldoende ruim te zien. We moeten niet enkel focussen op de kernoverheid, maar ook op bv. de zogenaamde tussenstructuren die diensten aan de burger verlenen op basis van gereglementeerde of facultatieve subsidieregelingen.

Om deze target in de volgende legislatuur te halen moeten we tegelijkertijd op vijf domeinen werken. Ten eerste zijn er tal van instellingen waarvoor een kosten-batenanalyse uitwijst dat ze best kunnen geschrapt worden. De Senaat, de provincies en de overvloed aan controle- en adviesorganen zijn enkele sprekende voorbeelden. Het- zelfde geldt voor tal van taken en subsidiereglementen van de overheid. Op basis van een fundamenteel kernta- kendebat zullen we bekijken welke dienstverlening en subsidiereglementen nog aan de orde zijn. In dezelfde trant zijn er ook verschillende taken die de overheid best zelf niet meer uitvoert, maar gedeeltelijk of volledig uitbesteedt aan de privésector. Binnen concurrentiële sectoren kunnen privatiseringen ervoor zorgen dat de prijs-kwaliteit- verhouding van bepaalde diensten wordt verbeterd, zonder aan de kwaliteit van de dienstverlening in te boeten.

Ten tweede is er vandaag te veel versnippering binnen de overheid en de onderliggende tussenstructuren. Hier- door is er te veel overlap en wordt er te veel dubbel werk gedaan (bv. de uitbetaling van uitkeringen aan de bur- ger,…). Via een sterkere centralisering zullen diensten die gelijkaardige taken verrichten, worden gefusioneerd. Hier- door zal hetzelfde werk met minder mensen kunnen gebeuren. Hierbij dient ook volop gebruik gemaakt worden van de kansen die de digitalisering biedt. Het contact met de burger en de ondernemingen zal zoveel als mogelijk digitaal gebeuren. Het only-once principe m.b.t. het bekomen van informatie bij burgers en ondernemingen moet gerespecteerd worden. Goede voorbeelden bij de overheid (bv. tax-on-web) tonen aan dat via een doorgedre- ven digitalisering op de kosten kan worden bespaard, terwijl tegelijkertijd de dienstverlening naar de burgers en de bedrijven verbetert. Er zal ook volop worden geëxperimenteerd met nieuwe technologieën zoals bv. blockchain.

In dit kader leggen we ook een ‘Kafka-plan’ op tafel, waarin 40 concrete maatregelen opgelijst worden om onze overheid efficiënter, klantgerichter en eenvoudiger te maken. Zo beperken we de werkingskost van de overheid en kunnen we meer doen met minder.

Ten derde zullen de overheidsmanagers sterker worden geresponsabiliseerd. Zij zullen zich mee moeten inschake- len in het verminderen van het overheidsbeslag met 1% van het bbp. We doen dit aan de hand van een duidelijke contractvorm met afspraken die gerealiseerd moeten worden.

Ten vierde dient het HR-beleid van de overheid grondig te worden gemoderniseerd. In de toekomst zullen enkel nog contractuele werknemers worden aangeworven. Men dient ook een beter systeem van interne mobiliteit bij de overheid uit te bouwen. Op deze manier worden de beschikbare ambtenaren ingezet daar waar ze het meest nodig zijn. Als gevolg hiervan kunnen nieuwe aanwervingen tot een minimum worden beperkt. Om hiervan een succes te maken geven we ambtenaren ook de kans om zich bij te scholen.

Ten slotte dient ook de mix van onze overheidsuitgaven te worden verbeterd. We hebben nood aan minder lopen- de uitgaven en meer investeringen. Diverse internationale organisaties zoals de Europese Commissie, de OESO en het IMF sporen de Belgische overheden aan om een groter deel van de overheidsuitgaven toe te wijzen aan investeringen in infrastructuur. Meerdere studies wijzen uit dat deze investeringen in infrastructuur het lange ter- mijngroeipotentieel van de Belgische economie ten goede komt. Denken we maar aan de Oosterweelverbinding en het mogelijk maken van een modal shift naar trein en water voor goederenvervoer. Het instellen van een investeringsnorm voor elk overheidsniveau biedt hier een kader toe. De mogelijkheden van diverse types van pu- bliek-private samenwerkingen versterken dit verder.

De sociale zekerheid verder hervormen

Zonder extra maatregelen verwacht het Planbureau dat de sociale uitgaven in de komende vijf jaar aanzienlijk sneller zullen stijgen dan de economische groei: terwijl de sociale uitgaven nominaal met gemiddeld 3,8% per jaar zullen groeien, stijgt het BBP met gemiddeld slechts 3% per jaar nominaal. Dit vormt de voornaamste verklaring waarom onze begroting zonder hervormingen opnieuw zal verslechteren. In de volgende legislatuur zullen we dus de sociale zekerheid verder moeten blijven hervormen. En we moeten niet alleen oog hebben voor de komende vijf jaar, maar ook voor de komende twintig jaar. De huidige federale en Vlaamse regering hebben al werk gemaakt van het garanderen van de betaalbaarheid van de vergrijzingskost. Die hervormingen zetten we verder.

De hervormingen binnen de sociale zekerheid situeren zich, naast meer mensen aan het werk krijgen, op drie domeinen: de pensioenen, de gezondheidszorg en de arbeidsongeschiktheid. Op het niveau van de pensioenen dringen bijkomende hervormingen zich op. In tegenstelling tot de vorige keer ligt de focus vandaag niet op het verhogen van de vervroegde of de wettelijke pensioenleeftijd. De nadruk ligt daarentegen op het harmoniseren van de verschillende pensioenstelsels (werknemers, zelfstandigen en ambtenaren), zodat iedereen dezelfde pen- sioenrechten opbouwt ongeacht in welk stelsel men werkzaam is. De reeds opgebouwde rechten blijven natuurlijk verworven. Daar grijpen we niet op in. We voorzien ook in de nodige overgangsmaatregelen voor zij die dichtbij hun pensioen staan.

In de gezondheidszorg zal het goede werk van de voorbije legislatuur worden verdergezet. De reële groeinorm van 1,5% per jaar zal ook in de volgende legislatuur gelden. We hervormen verder zodat er meer geld naar mensen gaat en minder naar structuren. De patiënt en de kwaliteit van de behandeling staan centraal. Op die manier kunnen we nieuwe behandelingen betaalbaar houden voor iedereen, want elke patiënt heeft recht op de beste zorg.

Ook op het niveau van arbeidsongeschiktheid zijn bijkomende maatregelen nodig om de sterke groei in de uit- gaven af te remmen. Zo zal er verder worden gebouwd op de re-integratietrajecten die door de voorgaande federale regering werden ingevoerd. Je mag niet gestraft worden omdat je ziek bent, maar we willen wel samen focussen op datgene wat iemand nog kan in plaats van op wat iemand niet meer kan. Voor die gevallen waar het medisch verantwoord is, zullen we de geleidelijke terugkeer van arbeidsongeschikte personen naar de arbeids- markt verder aanmoedigen. Alle partijen moeten hier hun steentje toe bijdragen: de werkgever, de arbeidsonge- schikte persoon zelf en de artsen. We gaan voor een sterkere responsabilisering van alle betrokkenen.

Schrijf je in op onze nieuwsbrief InschrijvenSchrijf je in op onze nieuwsbrief